Spelletjes

Spelletjes

Nog een week en dan verschijnt de ‘Mind Games 2024’ editie. Sean zag in dit album een kans tot het uitwerken van meerdere (geestes)spel-elementen. Het zou de fan nog jaren bezig moeten houden. Krakende hersenen, speuren met een uv-lamp en wat al niet meer.
Ik vraag me af of hij rekening gehouden heeft met fans zoals ik voor wie nog voor verschijnen van de heruitgave de hersenspelletjes al zijn begonnen.

Vijftienhondervijftig euro mag je neertellen voor de meest uitgebreide versie. Hoewel ik vanaf het moment van de eerste door filmpjes begeleide aankondiging met release-informatie zeker wist dat ik, zoals bij de vorige releases, zou kiezen voor de twee lp versie en de deluxe set en ik het grote boek t.z.t. na zal bestellen, speelden mijn hersenen toch een spelletje met me.
Alles op vinyl klonk verleidelijk. Vooral dat. Maar zoveel geld voor een paar extra zwarte schijven?

De prijs van de superdeluxe boxset wordt denk ik vooral bepaald door de toegevoegde replica’s met bewijs van authenticiteit van kunstvoorwerpen van de hand van Yoko en John.
Conceptuele kunst. Heel eerlijk, ik heb er net zoveel mee als met een groot canvas dat helemaal rood geverfd wordt waarna iemand er miljoenen voor betaalt. Voor mij valt dat een beetje in de categorie ‘de nieuwe kleren van de keizer’.

Een wit plakkaat met daarop in kleine letters ‘You Are Here’? Ik kan me de waarde voor de fan voorstellen. Het kan je misschien een gevoel geven van nabijheid tot je held. Je hebt toch een stukje Lennon in huis. Maar als kunstobject?

Het korte moment van twijfel vond zijn reden, naast de genoemde zwarte schijven, in het fraaie aanzien van de box. Het ziet er subliem uit. Maar ik denk dat het uiteindelijk een sta in de weg zal blijken te zijn. En het is natuurlijk hoe dan ook heel veel geld.

‘Mind Games’was lang mijn lievelingsalbum van Lennon. Toen ik het kocht ergens tweede helft jaren zeventig van de vorige eeuw had ik een platenspeler die in mijn oren geweldig klonk, maar objectief gezien een ramp was. Groot voordeel daarvan was dat de werkelijk beroerde productie van het album niet opviel. Dat werd pas een probleem toen de installatie beter werd. Wat deed John zichzelf tekort! De man had een fantastische stem, misschien wel één van de mooiste in de hele buisiness. Zelf zag hij dat niet zo.

In interviews na het verschijnen van ‘Imagine’ zegt hij vaak dat hij tevreden is met een song en ook redelijk tevreden over hoe hij het zingt. Om daar dan aan toe te voegen dat hij weer eens niet helemaal zuiver zingt. O ja? Op welke momenten dan? Het is voor mij onbegrijpelijk dat iemand met zo’n stem zo onzeker over zijn geluid kan zijn. Helaas had zijn negatieve zelfbeeld tot gevolg dat zijn stem begraven werd in de mix. Niet dat dat het enige probleem van de productie van een aantal van zijn albums is.

Zoals ik al vaker heb gezegd ben ik niet alleen maar enthousiast over het verschijnsel remix, maar in het geval van de heruitgaves die tot nu toe onder verantwoording van Sean zijn verschenen ben ik alleen maar enthousiast. Lennon’s muziek verdient het om veel beter te klinken dan ze op veel oorspronkelijke uitgaves doet. Songs blijken vaak nog beter dan ik op basis van de eerste uitgaves dacht. Maar bovenal: John’s stem mag gehoord worden. Wat een verademing om hem zo aanwezig te horen zingen. Zo warm, met zoveel emotie, zo ‘You are Here’.

De songs die tot nu toe als lekkermakertje van ‘Mind Games’ zijn verschenen op streamingplatforms etc maken duidelijk dat het niveau van deze release zeker niet onder zal doen voor de reeds verschenen albums in deze reeks. Integendeel. Het zou me niet verbazen als dit de release zal blijken te zijn met de meeste winst t.o.v. het oorspronkelijke album.
Een kleine kanttekening. Zoals altijd zijn er weer mensen te vinden die op hun YouTube kanaal ‘wave-form’ diagrammen plaatsen. De consensus is dat hier zeker geen sprake is van brickwalling, maar dat het allemaal wel moderner (lees luider en egaler) gemixt en gemastered is.
De sneak previews klinken geweldig en allesbehalve van dik hout achtig, maar je hoopt toch dat deze zorgvuldige bewaking van de grens tussen wow en mwah ook in de toekomst gegarandeerd blijft.

Naast de fenomenale klank van de albums in deze serie is het grootste pluspunt van de sets te vinden in de gekozen opzet.
Lennon is de kans ontnomen ons veel muziek na te laten. We moeten het doen met een veel te beperkt aantal albums.
De opzet van deze sets, niet in eindeloos veel outtakes van dezelfde song na elkaar (zie b.v. Dylan), maar in een aantal eerdere of andere versies van het album is geniaal. Zo heb je als fan eindelijk een groot aantal albums van Lennon om uit te kiezen. Niet helemaal hetzelfde als heel veel verschillende albums maar zeker wel the next best thing.

‘Mind Games 2024’ valt hier op de mat op mijn voorlaatste werkdag. Veel tijd dus om te ontdekken en te herontdekken. Ik denk niet dat ‘Mind Games’ opnieuw mijn meest favoriete Lennon-album gaat worden, maar ik hoop wel op een fotofinish met de echte toppers.
Wat al te beluisteren is klinkt veelbelovend.
En de in een ‘dangerbox’ verpakte superdeluxe editie? Er is geen enkel gevaar dat ik dit keer voor de bijl ga. Het gaat uiteindelijk om de muziek en om de geweldige boeken die de muziek toelichten en in een historische context plaatsen. Maar ik hoef geen John en Yoko kunst.
Conceptuele kunst? Ik hoop dat er 1100 mensen (zoveel sets zijn er wereldwijd) heel erg blij mee gaan zijn, maar ik laat deze versie graag aan mij voorbij gaan.

Vrienden

Vrienden

Het is een lieve scène. De man die qua muzikale inspraak tweede viool moest spelen t.o.v. John en Paul, staat, gewapend met een gitaar, naast Ringo aan een vleugel en kijkt begin 1969 glimlachend toe terwijl de drummer gebogen over het instrument laat horen wat hij op dat moment heeft van wat uiteindelijk zijn tweede song op een Beatlesalbum zou worden.
Al snel komt George met suggesties. Suggesties die Ringo graag overneemt. Harrison lacht ergens tijdens dit proces naar George Martin die er inmiddels bij is komen staan. Een lach die liefdevol behulpzaam is. Een lach die verraadt dat de gitarist als het gaat om het schrijven van songs met afstand de meerdere van de drummer is.
Maar ook een lach die als geruststellend voor de toekomst gezien kan worden: George zou zich nog vaak over Ringo ontfermen. De drummer die in de nadagen van zijn leven binnen The Beatles zelf ook getwijfeld zal hebben aan zijn muzikale toekomst gescheiden van de andere drie.

Het album ‘Ringo’, verschenen in november 1973 als derde solo-album, was allesbehalve het eerste Beatles-solo album dat ik kocht. Ik was niet zo heel erg benieuwd naar een Ringo zonder John, Paul en George. Maar ja, dat was het hem nu juist: dit was Ringo mét John, George en gescheiden door de noodzaak de lp om te draaien voor kant twee, Paul. Dichter bij een Beatles-reünie zouden we voorlopig niet komen. Weliswaar speelden ze nergens op het album alle vier samen, maar drie samen voor ‘I’m the Greatest’ en op de B kant nog een keer Ringo met de ex-Beatle die verstek liet gaan tijdens de openingstrack (Paul), het werd steeds verleidelijker het album te kopen.

Vier Beatles op een schijf. De vier namen, nog niet zo lang geleden als band opererend, nu als individuen op dit album van Ringo. Het zou uiteindelijk het meest reünie-achtige moment op een zwarte schijf ooit blijken te zijn. Ja, ik weet het, er zouden postuum nog drie singles aan The Beatlescanon toegevoegd worden, maar deze singles waren strikt genomen natuurlijk niet het gevolg van een (voltallige) reünie. ‘Free as a Bird’ en ‘Real Love’ kwamen tot stand zonder de fysieke aanwezigheid van John en ‘Now and Then’ kwam tot leven terwijl enkel Paul en Ringo erbij waren.

Ik kan me voorstellen dat met name laatst genoemde song een grote sentimentele waarde heeft, maar in vergelijking tot deze vier namen op de hoes van het album van Ringo, eerste helft jaren ‘70 in de bakken van de platenzaak, is dit wat mij betreft maar een slap aftreksel qua magische beleving. Destijds was het spannender omdat het rond het verschijnen van het album ‘Ringo’ gonsde van de geruchten over een mogelijke reünie. Het moest er ooit van komen, toch? En dit album leek een erg positief teken.

Vier namen tegen wil en dank voor eeuwig tot elkaar veroordeeld door de roem van het gedeelde succesvolle verleden dat amper een decennium besloeg. Vier namen op een album. En dat was niet alles. Ik wist het destijds niet, maar op de lijst medewerkenden bleken heel veel grote namen uit de muziekwereld te staan. Billy Preston kende ik natuurlijk, maar dat een groot deel van The Band aanwezig was ontging mij.
Het waren gewoon namen. Het hadden wat mij betreft studiomuzikanten kunnen zijn.

Overigens is Paul natuurlijk ook aanwezig op kant A van de vinylversie. Hij speelt ‘Mouth Sax’ op ‘You’re Sixteen’. De song geschreven in 1960, maar qua stijl ouder klinkend. Bij Ringo is deze afsluiter van kant A in goede handen. Ik vraag me af of er nog iemand te vinden zou zijn die een dergelijke track in een jaren vijftig idioom in de jaren zeventig van de vorige eeuw met zijn erg veranderde muzikale smaak zo op z’n plek zou hebben kunnen laten klinken.

Ik moest bij ‘Sixteen’ echt twee keer kijken, waarbij ik die tweede keer alle naam- en instrument-combinaties bewust op me in liet werken, maar het stond er toch echt; Backing Voices; Harry Nilsson. Deze geweldige koortjes zijn het werk van één man. Wat een stem! Hij smeerde zijn stem natuurlijk ook met enige regelmaat, maar jeetje wat doet hij dit fenomenaal.
Voeg daar de onnavolgbare Nicky Hopkins aan toe en er ligt een stevig fundament voor een top luisterervaring. Het plezier spat er af.

Misschien is dat wel één van de redenen, naast de latere mindere songwriters, dat de albums van Ringo nergens meer zo goed hebben geklonken als het album ‘Ringo’ ( en misschien ‘Goodnight Vienna’?) uit 1973; de club vrienden van naam die te hulp schoot. Niet dat het nu kleine jongens zijn, maar de laatste jaren is het toch wel wat éénvormig geworden, zowel binnen een album-tracklist als van album naar album. Het lijken wel variaties op een thema.

Maar niet in 1973. Zelfs een in muzikaal-technisch opzicht niet bijster interessante song als ‘O My My’ wordt onweerstaanbaar door het pianospel van Billy Preston. Tussen alle grote namen die medewerking verlenen aan deze track staat daar ook, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, de naam Merry Clayton. De vrouw die Mick Jagger tot figurant degradeerde in ‘Gimme Shelter’ op ‘Let it Bleed’.
Heerlijk ook die twee drummers; Ringo en Jim Keltner.

En dan good old George. De man wiens liefdevolle lachje tijdens de ‘Get Back’ sessies de geruststelling in zich droeg dat hij muzikaal gezien om zou zien naar ‘zijn’ drummer, maakt zijn belofte hier meer dan waar. Zingend en spelend aanwezig op delen van dit album, waarbij zijn zo kenmerkende gitaarspel hier en daar het gave randje krijgt dat zijn spel op ‘Imagine’ kleurt.
Daarnaast zijn er de twee Harrison-songs en de co-writers credit op ‘Photograph’.

Maakt dit alles ‘Ringo’ tot een absoluut top-album? Natuurlijk niet. Dat kun je ook niet verwachten. John en Paul b.v. zouden nooit hun beste composities afstaan aan Ringo. Ik moet wel zeggen dat ik ‘I’m the Greatest’ een heerlijk uitgevoerd nummer vind met een geniale tekst die enkel gezongen kan worden door iemand als Ringo. Top ook om Lennon’s zo herkenbare stem te horen harmoniseren op de achtergrond.

Op de tape met demo’s van songs die uiteindelijk op ‘Double Fantasy’ terecht zouden komen mompelt Lennon enkele keren dingen als: ‘Just give this one to Ringo’. Lennon twijfelde aan de kwaliteit van de songs en dat was voor hem een reden ze eventueel aan Ringo te geven. Omdat zijn producer enthousiast was over het materiaal nam hij uiteindelijk toch alles zelf op. Maar de strekking is duidelijk: Ringo helpen; ja, maar niet met zijn beste songs.

Dus nee, zeker geen topalbum, maar het album staat wel garant voor ruim een half uur vermaak. En is dat niet een heel belangrijk aspect van de muzikale beleving? Gewoon vermaakt worden omdat de klanken aanstekelijk zijn en de musici allemaal top? Het hoeft niet altijd ergens over te gaan, niet altijd diepgaand te zijn. Alsjeblieft niet zeg.

De hoes weerspiegelt de lichtvoetigheid van de muziek. Een hoes, ontworpen door Tim Bruckner, herinnerend aan de hoes van ‘Pepper’ met de hoofdrolspeler natuurlijk in de spotlights, terwijl achter hem een keur aan musici, bijna stuk voor stuk grotere musici dan de man zelf, staat. Naast Ringo een cherubijntje met het hoofd van een drinkebroeder. Volgens ontwerper Bruckner in een interview uit 2015 is het cherubijntje een sidekick van Ringo. Een grapje toegevoegd om tegemoet te komen aan Ringo’s gevoel voor humor.

Een gevoel voor humor dat ook tot uiting komt in het label: Ringo ‘spinning round with the sounds’. Ik vond die verwaaide kop uitstekend boven het witte doek waaronder de rest van de man schuil ging destijds wel grappig.
De als een ‘Latijnse’ spreuk gepresenteerde woorden op een schild boven het geheel completeren het plaatje. ‘Duit.on.mon.dei.’

Inmiddels staat mijn oude, rond 1976 aangeschafte exemplaar verkleurd en wel naast een meer recente versie. Remastered, dat begrip dat soms goed is voor de klank (b.v. in het geval van de meest recente Lennon-releases die tevens geremixt zijn), maar veel vaker vooral voor de portemonnee van de muziekindustrie. Mijn oude analoge zwarte schijf laat de nieuwere versie met z’n te zwaar aangezette bas qua klank kansloos achter zich.
‘Ringo’, een album dat met dank aan de crème de la crème van de muziekwereld van die dagen een zeer aangenaam klinkende verzameling songs geworden is.
With (more then) a little help from his friends.
Je zult maar zulke vrienden hebben, dan doe je toch iets goed.

Letting Go

Letting go

Het is lang geleden en ik twijfel of mijn herinnering overeenkomt met de feiten. Maar ik meen me te herinneren dat de recensies van ‘Venus and Mars’ na verschijnen van het album over het algemeen ‘Letting Go’ als een wat zwakkere track op het album bestempelden.
Ik kan het me verkeerd herinneren; misschien was er minder breed gedragen kritiek op ‘Letting Go’ en beperkte het zich tot de enkele recensie die ik las, maar er waren in ieder geval recensenten die ‘Letting Go’ maar een minimalistische song vonden.

Muzikaaltheoretisch gezien klopt dat ook wel. Mochten er mensen zijn die geen behoefte hebben aan een harmonische analyse, wees gerust. Er gebeurt in dat opzicht te weinig om daar veel over te zeggen. De song is harmonisch gezien opgebouwd rond vier akkoorden. Eigenlijk maar twee akkoorden en hun verplaatsing naar een andere toonsoort. Het overgrote deel draait rond een a mineur- en een D akkoord in zijn majeur- en mineur-incarnatie. Laatst genoemde akkoord met een aantal variaties zoals een voorhouding of een andere ligging waarbij de kwint in de bas ligt.
Voor het derde vers (she sings it so) wordt de boel opgepakt en verplaatst naar cm; een kleine terts hoger en dat is het zo ongeveer wel.

Onder alle songs die McCartney geschreven heeft is er een klein aantal waar ik niets mee heb. Songs die vaak muzikaaltechnisch gezien ongelooflijk veel interessanter zijn dan ‘Letting Go’.
‘Mary had a little Lamb’ b.v. is zo’n song. Maar eerlijk gezegd, van mij had de man het niet hoeven schrijven. Mega irritant is daarbij ook nog eens dat, als ik er al eens naar luister, ik nadien uren met die ‘la la’s’ in mijn hoofd zit.
Nee, geef mij maar ‘Letting Go’.

Ik begreep de kritiek die er destijds was niet. Wat mankeerde er aan die song? Ondanks de harmonische eenvoud, die ik bij verschijnen nog niet kon duiden, was er genoeg om van te genieten. En nog steeds is dit één van die McCartney creaties die nooit verveelt. Soms heb ik geen zin in zijn muziek, maar deze song werkt echt altijd voor mij.

Als het niet de akkoorden zijn, wat dan wel?
Laat ik me beperken tot de albumversie. Want hoewel de single-versie die schitterende meer prominente rol voor het Hammondorgel kent, is de albumversie, vooral qua intensiteit superieur.

Allereerst is er na de (bas)drum inzet die geweldige riff waarbij de gitaar links een ritmische component toevoegt langs ‘muted’ snaren, waarna even later rechts een tweede gitaar aan een samenspraak begint met de eerste gitaar. Ook hier weer een extra ritme middels muted strings. Na negen seconden glijdt de bas letterlijk het intro binnen. Die schitterende klank van de Rickenbacker, zo bepalend voor de muziek van McCartney in de jaren zeventig. ‘Silly Love Songs’, ‘Letting Go’, ‘Let Me Roll It’ om er slecht een paar te noemen. Allemaal songs met die door de Rick wat zwaarder aangezette baspartijen.

Er is nog altijd niet echt iets gebeurd, maar die opbouw maakt het verslavend mooi.
Gedurende de hele song is er ook die nadruk op de tweede tel om de andere maat doordat het tweematig motief de eerste tel van de maat waarin het (her)begint telkens leeg laat.

Een in de diepte rommelende elektrische piano completeert het geheel met een zompigheid die verre familie lijkt te zijn van de zompigheid van ‘Come Together’.
En dan eindelijk, op een hoge noot, zet Paul in. Niet op de eerste tel, nee, net erna. ‘Aaah’, om daarna weer even stil te vallen. De laatste jaren camoufleert hij de moeite die de hoge noot hem kost door een kraakje in de stem dat hij toevoegt. Het bewonderende, gladde ‘Aah’ van de jonge Paul is vervangen door de verbazing in het krakende ‘Aah’ van een McCartney op leeftijd.

In het refrein meldt Denny Laine zich met achtergrondvocalen. Een mooi aspect in het geheel: het is onmiskenbaar Denny die de achtergrondzang kleurt met een wisselende mate van intensiteit, maar later mag Linda ook een meer opvallend steentje bijdragen. Het levert een rijk kleurenpalet op.
Na het eerste refrein laten de blazers kort weten dat ze er ook zijn.

Dat smaakt naar meer en we worden op onze wenken bediend. Wat een killer riff na het tweede refrein, door de blazers gespeeld. Het is zeker geen complex motief, maar het klinkt wel niet zo vet! Een motief dat uit niet meer dan een opstapje naar een omcirkeling van een grondtoon bestaat gevolgd door de aanzet tot een akkoordbreking en een syncopische akkoordwisseling. Nog naar adem happend na deze riff is er de volgende verrassing. De blazers blijken de weg vrij gemaakt te hebben voor een gitaarsolo. Nee niet beginnend op de eerste tel, maar na twee tellen uitgedunde begeleiding, op de derde tel met een lange noot. Wat een entree! Gedurende de tweede helft van deze geweldige solo melden de blazers zich weer om de weg te wijzen terug naar het refrein en de erop volgende al eerder genoemde stap omhoog voor vers 3 alwaar Linda de achtergrondzang verhoudingsgewijs even wat meer mag kleuren.
Tijdens het outtro meldt de solo-gitaar zich weer om het geheel al improviserend naar de uitloopgroef van kant A van de lp te begeleiden.

De laatste jaren maakt Paul, als hij ‘Letting Go’ heeft opgenomen in zijn setlist gebruik van een blazersensemble. Qua klank natuurlijk veel mooier dan de versies uit het verleden waarbij deze partijen op een keyboard gespeeld werden. Maar los daarvan; zo’n groep swingende musici die naast het fraaie spel niet te verlegen is om de passages dat ze niets te doen hebben op te vullen met danspasjes is natuurlijk heerlijk. Daarnaast hebben koperinstrumenten zowel in klank als uitzien iets sexy’s. Die bewegende groep mannen, meestal vanuit een fanperspectief links op het podium, met in hun handen die onder de lampen schitterende en door de danspassen bewegende instrumenten; het werkt geweldig. Voor een deel komt dat natuurlijk ook doordat de bezetting op het podium even een andere dynamiek krijgt.

Het de laatste jaren standaard geworden moment bij live uitvoeringen van de song waar zo goed als iedereen stil valt terwijl blazers en drums de boel gaande houden en het publiek wordt uitgenodigd om een ritmische bijdrage te leveren terwijl McCartney er vocaal op los improviseert, is, hoe kitsch ook, geweldig. Dat moment ook waarop Paul de hals van zijn bas even naar zich toedraait om te controleren of de hand op de goede plek op de hals staat, waarna een zwierig basloopje de inzet van de band inleidt.

Over blazers in deze song gesproken. Tijdens de ‘Wings over America’ (en de rest van de wereld) tour nam McCartney ook blazers mee.
Hoewel ik, bij alle liefde voor albums met een concertregistratie, toch bijna zonder uitzondering een voorkeur heb voor studio-albums boven live-albums, moet ik zeggen dat er volgens mij geen betere versie van ‘Letting Go’ is, dan de versie op ‘Wings over America’. Alles wat de studio-opname zo mooi maakt heeft de live versie ook, maar dan met nog net een paar procent meer intensiteit.

Toch nog even iets over de single. Hoewel ‘Letting Go’ alles leek te hebben om een hit te worden, deed het het als tweede single van het album ‘Venus and Mars’ erg slecht. In Amerika bleef het steken op 39 en in Engeland op 41. Luca Paresi noemt in zijn boek gewijd aan McCartney het idioom dat te ver af zou liggen van wat fans gewend waren als mogelijke oorzaak.
‘Listen to what the man said’ haalde als single uitgebracht voordat de lp verscheen de eerste plaats in Amerika en een verdienstelijke zesde plaats in Engeland. Misschien meer hitlijsten-materiaal, maar ook vóór verschijning van het album uitgebracht. De titelsong gekoppeld aan een ingekorte versie van ‘Rockshow’ haalde als derde single van het album de twaalfde plaats in Amerika.

‘Letting Go’, een in sommige opzichten kleine song, die qua uitwerking grootst uitpakt. Paul zei er destijds het volgende over: ‘I think that ‘Letting Go’ it’s (sic) one of the better songs on the album. I think it’s a nice track. It’s a nice tune and kids sing it all the time. I think it works. It’s my favourite track’.
En wie ben ik om hem tegen te spreken.

Hi-hi-hilfe

Hi-Hi-Hilfe

De kans bewegende beelden van de fab four te zien deed zich medio jaren zeventig van de vorige eeuw zo goed als nooit voor. In mijn eerste en lange tijd enige boek over de groep werden vijf films genoemd. Er bestond dus in ieder geval die bron van bewegend beeld. Maar zonder YouTube en streamingdiensten etc. en met de t.v. als enig medium was de inhoud van die films gedoemd ongezien te blijven. De groep bestond nog maar een jaar of vier, vijf niet meer. Je moest het doen met wat er was. Maar dat wat er op filmgebied was werd door de omroepen genegeerd, waardoor de fan-ervaring visueel gezien vooral een bewegingloze ervaring bleef. Een foto-ervaring.

Auditief was het een ander, een veel beter verhaal. Dat was zeker geen kansloos iets. Je kende de namen van albums die je nog niet aan je collectie had kunnen toevoegen. Je kende de titels van de songs op die albums, maar hoe die tracks zouden klinken? Geen idee. Je wist alleen heel zeker dat je ze vroeg of laat zou bezitten. Op het moment dat je een nieuw album voor het eerst op de platenspeler legde en de naald langzaam naar de inloopgroef zakte, wist je dat er weer een moment van Goddelijke openbaring aan was gebroken. Of nou ja, laat ik het maar anders formuleren: The Beatles en God in één stukje geschreven woord verenigd is niet altijd een gelukkig huwelijk geweest. Vraag dat maar aan John Lennon; ‘I said what I said and it was wrong or it was taken wrong and now it’s all this!’ Anders gezegd: het was geweldig om een album van The Beatles aan je collectie toe te kunnen voegen om zo voor het eerst te kunnen horen hoe die geheimzinnige titels die je tot dat moment enkel van naam kende, zouden klinken. Welk verhaal verborgen die woorden? Nu zou je het te weten komen.

Ik wist zoals gezegd van het bestaan van de vijf films. Films die ik, zo dacht ik, nooit te zien zou krijgen.
Tot….Een Wonder! Hè nu doe ik het al weer! Even opnieuw:
Tot er iets totaal onverwachts gebeurde en de film ‘Help’ op tv zou komen. Een zondagmiddag, een op voorhand als onvergetelijk te bestempelen zondagmiddag. Helaas op een Duitse zender, maar toch. We waren in het oosten van het land meer op de Duitse tv georiënteerd dan op de Nederlandse dus dat was het probleem niet, maar een Engelstalige film zou op een Duitse zender nagesynchroniseerd worden.

Duits sprekende Beatles, die gelukkig wel in het Engels zongen. Het was, eerlijk gezegd tenenkrommend. Maar het was ook beter, veel beter dan niets.

Hoe hij het gedaan had weet ik niet meer, maar mijn vader had een tv-aansluiting in de keuken gemaakt. Het signaal van de antenne dat middels een stekker in de woonkamer achter het apparaat in een hoek van de kamer de tv bereikte waardoor tv-beelden ons weer konden bereiken, zocht zich via een aftakking een weg naar de keuken.
Tv-momenten die niet aan mijn ouders besteed waren, uitzendingen die van mij als fan eisten dat ze bekeken werden terwijl de volumeknop ver opengedraaid werd, kon ik in de keuken bekijken.
Pa pakte de tv op en via de gang liep hij met de kijkkast de keuken in, alwaar het apparaat op de wasmachine geplaatst werd. Deuren dicht, pinda’s bij de hand tegen de stress en het feest kon beginnen.

Het was tegelijkertijd waardeloos en waardevol. Duits sprekende moptops. Lippen die slechts bij benadering stopten met bewegen op het moment dat de woordenreeks eindigde. Stemmen die op veel leken maar niet op de stemmen die die prachtige zanglijnen in het Engels voortbrachten.
Maar ja, zij waren het en ik had ze nog nooit zien bewegen. Zeker niet zo lang achtereen, zo’n anderhalf uur. Dus mooier dan dit werd het voorlopig niet.
Het zou nog ruim tien jaar duren voor ik dankzij een videoband (VHS) John, Paul, George en Ringo Engels zou horen spreken in de film die nu ook niet meer ‘Hi-Hi-Hilfe’ heette, maar gewoon ‘Help’.

Nog voordat ik de Engelstalige versie van ‘Help’ zou leren kennen, gebeurde er nog iets anders. Iets dat zo mogelijk nog wonderbaarlijker was dan nagesynchroniseerde Beatles op de Duitse tv.

Dit keer was het een Nederlandse zender, de TROS, op of rond een Sinterklaasavond medio jaren tachtig. De film: ‘Let it Be’. Het was echt een wonder, ja dit keer gebruik ik dat woord toch maar, want het was niets meer of minder dan een wonder dat deze film op tv kwam. Deze zwanenzang van The Beatles, dit document van een uiteenvallende popgroep. Deze korrelige korzeligheid. Ik kende enkel een handvol foto’s van een zeer matige kwaliteit. Foto’s in wat lange tijd het enige boek was dat ik over The Beatles had. Pas veel later kon ik, na de moord op Lennon, de heruitgave van de biografie van Hunter Davies als tweede boek aan wat uiteindelijk een collectie zou worden toevoegen.
Een herdruk van deze allereerste Beatles-biografie met een nieuw voorwoord waarin Paul leeg liep over de door hem als oneerlijk ervaren heiligverklaring van Lennon en de bijbehorende marginalisering van Pauls rol tijdens de Beatlesjaren. Ik meen me te herinneren dat het de weergave van een telefoongesprek tussen Paul en Hunter betrof. In ieder geval zal McCartney niet blij geweest zijn met de publicatie van deze tirade.

Maar in het kader van deze column van meer belang, juist het andere boek, het boek dat al langer in mijn bezit was, ‘Het volledige Platenverhaal’ van Carr en Tyler, gaf een inkijkje, weliswaar een erg minim inkijkje, in de geheimzinnige wereld van de film ‘Let it Be’, middels een aantal foto’s en wat flarden tekst. Triest ogende foto’s. Foto’s die zonder de context van de film niet te duiden waren.

En nu kwam deze film, deze documentaire die nooit te zien was, op tv.
Verbazing over vier Beatles die niet alleen Engels spraken, maar die ook samen aan het werk waren. Het is denk ik voor de generatie die met YouTube is opgegroeid zelfs bij benadering niet voor te stellen hoe het was om het beeld dat je op basis van albums, een beetje tekst in een boek en een handvol foto’s gevormd had totaal onderuit gehaald te zien worden door een film van nog geen anderhalf uur. Zo bewogen ze dus. Zo musiceerden ze samen. Zo maakten ze ruzie. Zo zag de interactie tussen deze vier jongemannen er in de eindfase uit! Het was betoverend, maar tegelijkertijd haalde het ook iets weg van de glans rond de magie van het beeld in je hoofd. Een onvolledig beeld, product van de fantasie, een beeld dat vooral was opgebouwd rond foute aannames en halve waarheden.

Één keer slechts was de film op tv te zien. Één keer! Wat volgde was het eindeloze en naar later zou blijken vergeefse wachten op een uitgave op videoband of nog later, DVD. Het zou er lang niet van komen. Het wachten zou uiteindelijk beloond worden met het verschijnen van de ‘Get Back’ documentaire, een heel veel mooier en beter document van die maand in 1969. Waarna in mei 2024 de heruitgave van de film ‘Let it Be’ een feit was. Een in mijn ogen beter gerestaureerd beeldverslag dan de ‘Get Back’ docu die er wel heel glad uitziet. Dat de korrelige beeldkwaliteit niet helemaal weggepoetst is, is geweldig. En na het zien van ‘Get Back’ is de inhoud van de film ‘Let it Be’ beter de duiden. De las tussen de sessies in Twickenham en die in de Apple-studios terwijl daaronder ‘For You Blue’ klinkt is geniaal. En nu wéét je wat er gebeurt. Destijds kon het gebouw aan Saville Row wel de buitenkant zijn van de plek waar de heren tot dat moment gefilmd waren. Wist jij veel.

Maar goed, lang, heel lang leek het erop dat het er niet van zou komen. Ik leek het te moeten doen met die ene keer bij de TROS.
Nog dagen, nee weken later besprak ik het geziene met een studiegenoot, tevens Beatlesfan. Wat hadden we gezien? Wat hadden we mogen ervaren? De magie van het onbekende werd vervangen door op voorhand kansloze pogingen het eenmalig geziene voor eeuwig te verankeren in het hoofd. Zolang er geen zekerheid was over een nieuwe uitzenddatum op tv moest je het doen met het in je hoofd opnieuw en opnieuw afspelen van de film.

Het is nu in sommige opzichten veel boeiender, veel interessanter om Beatlesfan te zijn dan het was toen ik een tiener was. Informatie ligt voor het oprapen. Elk ooit geschoten filmfragment is te vinden op YouTube. Het is geweldig.
Toch denk ik met weemoed aan de periode waarin er zo goed als geen informatie beschikbaar was over de groep.
De nabijheid in tijd tot deze amper zeven jaar gevuld met magie, was voelbaar. Er was de mogelijkheid van een reünie. Later zou blijken dat dat nooit echt een optie geweest is, maar vanaf ongeveer 1974, toen de kruitdampen van de meest heftige in de pers uitgevochten ruzies wat opgetrokken waren, leek een reünie niet langer uitgesloten. Of zoals Paul het destijds zei: ‘It’s a positive maybe.’ Hij wist ongetwijfeld beter, maar ik geloofde hem.

Daarnaast waren John, Paul, George en Ringo in die jaren niet weg te denken uit de hitlijsten. Vier individuen die de muzikale markt in meer of mindere mate overspoelden met nieuwe muziek. De magie met een hoofdletter had plaats gemaakt voor het magische met een kleine letter van vier individuen.
Tegenwoordig zijn The Beatles meer en meer een onderdeel van de geschiedenis, destijds was je als fan onderdeel van die geschiedenis in wording.

De hoeveelheid informatie maakt dat het nu, zoals gezegd, veel interessanter is om fan te zijn, maar ik mis dit onderdeel zijn van geschiedenis in wording.
En ik mis, bij alle waardering voor de boeken en tijdschriften die zelfs het meest onbeduidende feitje vastleggen, het grootse van onwetendheid. De magie van de verbeelding is verruild voor de rationaliteit van het weten.
Ik mis de betovering van die magische wereld, een wereld die het moest doen met het mozaïek van de zelf geconstrueerde mentale beelden.
Maar ik zou alles dat ervoor in de plaats gekomen is ook niet meer willen missen.

Mijn Paul, jouw Paul

Mijn Paul,
jouw Paul

‘George came up to me at a party once and said “My Paul is to me what your Paul is to you.”
He meant that psychologically they had the same effect on us. The Pauls inside us. Art Garfunkel vervolgt even later: ‘I think George felt suppressed by Paul and I think that’s what he saw with me and my Paul’.

Twee Pauls die beide een voormalig partner beschadigd achtergelaten hebben. Art Garfunkel dacht niet met liefde terug aan ‘zijn’ Paul nadat hun wegen uiteen waren gegaan en George Harrison? Ach, de relatie van George met McCartney wordt misschien het best samengevat in de woorden aan het adres van Paul tijdens die kille januarimaand in 1969: ‘I’ll play, you know, whatever you want me to play. Or I won’t play at all, if you don’t want me to play.’

Paul McCartney en Paul Simon, twee geweldige songwriters, scheppers van prachtige melodieën, grootmeesters in de kunst van het harmoniseren. Verhalenvertellers pur sang.
Twee keer Paul, twee keer een Paul inmiddels op leeftijd met een andere invulling van het begrip popster op leeftijd.
McCartney is in wezen nooit veranderd. Hij is zijn oude vertrouwde stijl trouw gebleven. Of eigenlijk moet ik zeggen dat hij zijn stijlen trouw gebleven is, want er was zo goed als altijd al de Paul van de ballads, de man van de muziek in jaren twintig stijl, de McCartney van de stevige rockers enzv. Deze Paul had vrijwel vanaf het eerste moment al een zeer uitgebreid kleurenpalet tot zijn beschikking. Kleuren die hij niet telkens op dezelfde manier mengde, maar toch; het was en bleef door de jaren heen duidelijk herkenbaar als van de hand van McCartney.
Ook als hij al eens meer voorbij de grenzen keek van zijn muzikale kaders en er b.v. vrolijk op los experimenteerde met synthesizers, was er die duidelijke McCartney basis. ‘McCartney II’ is een heel ander album dan b.v. ‘Ram’ of ‘Tug of War’, maar het is gedurende grote delen ook niet te missen van wie het is.
Deze Paul is inmiddels de grijze eminentie van de popmuziek geworden. Een status die hem meer dan toekomt.

Die andere Paul, de Paul van Art, heeft zich richting de oude dag anders ontwikkeld. Er is aanvankelijk die typische Paul Simon stijl, maar anders dan bij McCartney heeft Paul Simon zichzelf op een paar momenten opnieuw uitgevonden. Zo kiest hij, na ‘Graceland’ voor een meer minimalistische benadering. Een stijl die met wat fantasie een in minimal music gewortelde stijl genoemd zou kunnen worden. Vergelijk ‘Can’t run but’ van ‘The Rhythm of the Saints’ eens met ‘Still Crazy after all these Years’. Deze meer minimalistische benadering zal uiteindelijk z’n bekroning vinden op ‘Stranger to Stranger’, het geweldige album waarop oude rot Simon de jongere generatie rappers even laat horen hoe het ook kan, hoe het misschien wel beter kan. Een fascinerend album met geweldige teksten. Geweldige verhalen die meer dan eens zorgen voor een lach.

Ach ja, het verhalende aspect in de kunst van beide heren.
Als ik songs als ‘Michelle’ buiten beschouwing laat, song die niet zozeer verhalend zijn, als meer liefdesliedjes voor een fictief persoon, zou ‘Eleanor Rigby’ Pauls eerste verhalende song op een album genoemd kunnen worden. Het soort song dat uit zou monden in de songs die Lennon een paar jaar later ‘Paul’s granny music’ zou noemen.
‘Eleanor Rigby’ heeft iets van een verhaal uit de Russische Bibliotheek. Een Toergenjev achtig schitterend plaatje met fraaie, deels surrealistische beelden.
‘Lovely Rita’ op het volgende album zweeft een beetje tussen ‘Michelle’ en de door ‘Rigby’ in gang gezette stroom verhalende songs in. Het is min of meer een liefdeslied voor een verzonnen meisje, maar beschrijvingen als

‘Got the bill and Rita payed it,
took her home, I nearly made it,
sitting on a sofa with a sister or two’

katapulteren het de wereld van de verhalen in. Dat en het feit dat ze een parkeerwacht is.

‘The Fool on the Hill’, ontstaan vanuit een toevallige ontmoeting met een oude man tijdens een wandeling, is een verhalend lied geworden. De ontmoeting zorgt voor de inspiratie, het verhaal is van een ‘Eleanor Rigby’ achtige schoonheid. Zij het minder gelaagd door het ontbreken van een tweede protagonist. Deze beelden halen het niveau van ‘Rigby’ niet, maar toch, de rust en in zekere zin triestheid die het geschetste beeld doordringen zijn schitterend.
Bij dit lied heb ik me altijd afgevraagd of het klungelige blokfluitspel voortkomt uit het niet voldoende beheersen van het instrument, of juist een bewuste keus is passend bij de schildering van de oude man daar eenzaam op zijn berg. Ik denk dat McCartney’s beheersing van het instrument te wensen over liet, maar op de één of andere manier is het klungelige erg passend.

‘The White Album’ is met drie een verhaal vertellende songs van McCartney erg goed bedeeld. Met ‘Obladi Oblada’, ‘Rocky Raccoon’ en het vaudeville-achtige ‘Honey Pie’ zijn drie van de vier kanten voorzien van een verhaaltje en is er dus op elk iets te vinden dat Lennon zal hebben ervaren als ‘Paul’s granny music’.

Wat de albums betreft eindigt de lijst songs rond een verzonnen verhaal met de knal van een zilveren hamer. De song die alles in zich had om de ergernis van Lennon op te wekken. Het lied dat, doordat Paul maar door bleef gaan tijdens de opname ervan om het te perfectioneren, Harrison’s en zelfs Starr’s humeur verpestte. ‘Maxwell’s Silver Hammer’. Een zwart verhaaltje met een duister soort humor. Maar vooral ook een song die muzikaaltechnisch gezien veel beter in elkaar zit dan de tekst en de reacties op tekst en muziek doen vermoeden. De woorden verbergen een fraai arrangement met o.a. subtiele wisselingen in de gitaarklank die de verzen en het refrein verbindt en een mooie harmonisatie gebruikmakend van reeksen kwinten passend bij de archaïsche stijl. Dit is typisch McCartney. Het klinkt allemaal irritant makkelijk en lijkt daardoor oppervlakkig, maar onder deze laag toegankelijkheid verbergt ‘Maxwell’ muzikaal meesterschap.

‘Lady Madonna’ is met z’n in flitsen weergegeven scènes uit het dagelijks leven zeker een verhalende song te noemen. Die aan de dagen van de week gekoppelde weergave in losse scènes is geweldig. Het heeft iets filmisch en dan meer specifiek iets van de oudere films waarbij het na een scène telkens weer richting een min of meer centraal punt op het doek donker wordt waarna, voor de volgende scène, het licht uit het verdwijnpunt van even daarvoor weer naar de randen van het beeld kruipt.

Dit pretendeert geen volledige lijst van verhalende McCartney-songs te zijn. Ik wil met voorbeelden een aspect belichten binnen Paul’s werk dat misschien nog wel eens onderschat wordt. De man die over het algemeen niet gezien wordt als een geweldig tekstschrijver, heeft wel degelijk tekstuele hoogstandjes afgeleverd.

De teksten van Paul Simon hebben vaak iets absurds. Of er is juist sprake van het tegenovergestelde; in een tekst die van onzinnigheden aan elkaar hangt volgen zonder waarschuwing vooraf zinnen die een diepere betekenis hebben. Vaak ook snijdt Simon maatschappijkritische zaken aan in een paar zinnen waar je makkelijk overheen zou kunnen lezen. Zinnen die met weinig woorden een diepere waarheid bloot leggen.

Een voorbeeld van het eerste soort absurdistische teksten is te vinden op ‘Still Crazy after all these Years’ in de song ‘You’re Kind’. Een lofzang, een lied vol dankbaarheid, respect en liefde naar de partner, tot het eind alles onderuit haalt. De tekst zoals deze tot dat moment geklonken heeft blijkt niets anders dan een poging de door de verteller geplande scheiding te verpakken in lieve woorden.
De reden van de scheiding? Zij slaapt het liefst met het slaapkamerraam gesloten terwijl hij het liever open heeft. Dat gecombineerd met het schitterende arrangement met een hoofdrol voor gedempte koperblazers maakt het echt geniaal.

De song ‘Day Tripper’ is een klassieker uit de midden periode van The Beatles. Een kundig in elkaar gedraaide popsong met een aantal elementen die de aandacht vasthouden. Elementen als de dwingend aanwezige bas, het op een boogie-patroontje gebaseerde rifje, de herstart in het midden, de koortjes, die maken dat de song blijft hangen. Ik kan me voorstellen dat dit in een tijd dat popmuziek nog behoorlijk onschuldig was, bij een eerste keer beluisteren voor een schok gezorgd heeft. Als ook nog waar is dat op de plek van het woord dat klinkt als ‘big’ (voorafgaand aan teaser) in werkelijkheid een ander woord gezongen wordt, een woord met een sexuele lading passend bij een meer erotische interpretatie van ‘she took me half the way there’, is deze loveble moptop-song, zeker gemeten naar de maatstaven van die tijd erg ontdeugend. Een beetje plat ook, maar tegen het decor van die tijd maakt het dat alleen maar mooier.

Hierbij vergeleken is een song als ‘You’re kind’ van Simon tuttiger, zowel wat betreft de muziek, als de tekst. Maar die slotzinnen met hun plotselinge ommekeer in beleving, zijn geniaal. Zwevend tussen vilein en onbedaarlijk grappig. Misschien is er zelfs sprake van een diepere betekenis: onbeduidende dingen zorgen er soms voor dat we iets moois afdanken.

Het is maar een interpretatie, op niets gebaseerd, maar is dat nu juist niet wat een tekst bovengemiddeld goed maakt? Een goede tekst geeft je de ruimte om er telkens weer andere werelden in te ontdekken. Werelden die je vaak niet eens begrijpt, niet wilt begrijpen ook.
Een beetje zoals het overbekende verhaal van ‘Hey Jude’ waar Paul op het moment dat hij de song aan John laat horen zegt dat hij de regel ‘The movement you need is on your shoulder’ nog gaat aanpassen, waarop Lennon zegt dat hij dat niet moet doen omdat hij precies begrijpt wat Paul ermee bedoelt.

Een voorbeeld van woorden met een serieuze strekking in een maatschappijkritisch lied is te vinden in ‘Questions for the Angels’ van Simon. Een schrijnend verhaal waarbij de passage waarin Jay-Z genoemd wordt een aanklacht lijkt tegen onze keuzes die enkel een basis vinden in economische belangen.
De passage die er wat mij betreft uitspringt is de volgende:

‘If every human on the planet and all the buildings on it should disappear,
Would a zebra grazing in the African Savanna care enough to shed one zebra tear?’

Hierin verwoordt Paul Simon in een heel eenvoudige beeldspraak iets heel essentiëels: ondanks alle belangrijkheid die we onszelf toedichten, doen we er niet toe. En mochten we ooit als soort verdwijnen, wat met het oog op de milieu gerelateerde problemen die we veroorzaakt hebben, zeker niet ondenkbaar is, de planten en de dieren zullen niet alleen niet merken dat we er niet meer zijn, deze door ons in vergelijking tot ons als minder geziene levensvormen maken meer kans op overleven dan wij mochten stormen, perioden van droogte of juist van overvloedige regenval ons ooit parten gaan spelen op een manier die we niet meer aan kunnen.

Je bent ook een grootheid als je een negatief en door een bepaalde (muziek)cultuur veel gebruikt woord als ‘Motherfucker’ op een positieve manier in een parodiërende tekst kunt verwerken.
Dat doet Simon op ‘Stranger to Stranger’ in ‘Cool Papa Bell’:

Motherfucker, ugly word
Ubiquitous and often heard
As a substitute for someone’s Christian name
And I think, yeah
The word is ugly all the same.

Bob Dylan mag dan gelden als de grootste woordkunstenaar in de popmuziek met Neil Young en John Lennon op z’n hielen, ik denk dat Paul Simon in dit rijtje niet ontbreken mag. De vroege teksten van Dylan die allemaal vanuit een soort stream of consciousness idee ontstaan zijn, zijn veelal absurdistisch. De subtiele humor, maar misschien meer nog het verwoorden van diepere betekenislagen zoals Paul Simon dat doet lijkt me heel veel moeilijker te realiseren. Ik vind het in ieder geval fijn als het ergens over gaat en ik het kan volgen met net genoeg ruimte om er mijn eigen verbeelding op los te kunnen laten. De keren dat ik het niet begrijp, dat ik het niet kan volgen omdat het nergens over gaat, vind ik het belangrijk dat er tenminste een gave ritmiek in de aaneenschakeling van woorden zit zoals in ‘I am the Walrus’.
De bonte verzameling rare typetjes die de wereld van Dylan bewoont op b.v. ‘Highway 61 revisited’ boeit me minder. Zeker ook omdat de begeleidende muziek niet heel erg interessant is.

Ik denk dat Paul McCartney een iets groter kleurenpalet tot zijn beschikking heeft in vergelijking tot Paul Simon als het gaat om de kunst van het harmoniseren en het creëren van melodieën, maar ik moet toegeven dat ik partijdig ben. Paul Simon heeft, rond de tijd van ‘Still Crazy after all those Years’ les gehad in componeren. Naast de selfmade McCartney maakt hem dat misschien juist wel tot een veelzijdiger, veelkleuriger musicus. Ach, wat doet het er toe. Muziek beoefening kent geen wedstrijdelement en beide heren vonden in Leonard Bernstein een bewonderaar. Wat kun je daar nog aan toevoegen?

Voor mij staat echter als een paal boven water dat de humor in veel van de verhalen van Simon zijn vertelkunst onvergelijkelijk veel grappiger maakt dan die van de ex-Beatle. McCartney voegt weer een meer surrealistisch aspect aan sommige songs toe dat geweldig is. Paul Simon plaatst zinnen in het geheel die totaal onverwacht tussen een boel flauwekul zomaar iets heel diepzinnigs neerzetten.

McCartney’s ‘Maxwell’s Silver Hammer’ heeft naast de vele grote muzikale kwaliteiten een grappige tekst. Een tekst die als geheel een luguber maar tegelijkertijd humoristisch beeld schetst. Een beeld dat voor een glimlach zorgt. Op een dieper niveau staat de tekst volgens Paul voor het noodlot dat toeslaat juist op momenten dat alles goed lijkt te gaan, zoals The Beatles in 1969 moesten ervaren.

De ene Paul, ‘mijn’ Paul wordt over het algemeen niet in de eerste plaats als geweldig tekstschrijver gezien. Maar met regelmaat bewijst hij dat hij wel degelijk een geweldig verhalenverteller is. De andere Paul is zonder enige twijfel een poëet. Zijn prachtige melodieën mogen sublieme teksten gezelschap houden.
McCartney wordt nogal eens afgerekend op de diepe tekstuele dalen (de ‘dustbin lid’ zinnen op ‘Pipes’ b.v. zijn een eigen leven gaan leiden), maar al had hij enkel de tekst van ‘Rigby’ en ‘Madonna’ als prachtige verhalende teksten geschreven, het zou genoeg moeten zijn voor een meer positieve houding ten opzichte van zijn teksten.
Gelukkig zijn dit niet de enige noemenswaardige teksten van zijn hand.
Uiteindelijk vind ik het totaalplaatje bij McCartney toch nog net even boeiender dan de som van de delen van de Paul die ooit bij Art hoorde.
Laat ik Paul Simon het laatste woord maar geven: ‘One man’s ceiling is another man’s floor.’
Met andere woorden en een beetje vrij geïnterpreteerd: het hangt af van de manier waarop je er naar kijkt. Uiteindelijk zijn het gewoon twee giganten.

Atmos

Atmos

Voor mijn generatie is het beluisteren van muziek altijd een hobby met een fysieke component geweest. Wilde je een album beluisteren, dan moest je het kopen of lenen. Je had iets in je handen. Iets dat een wezenlijk onderdeel van de beleving was.
De komst van de cd beroofde de beleving van een deel van zijn glans. Er was nog steeds dat fysieke aspect, maar hoesontwerpen werken toch minder goed op de (aanvankelijk lelijke) kleine plastic doosjes.

En nu wordt er vooral gestreamd. Ik heb daaraan moeten wennen. Ik miste de albumhoes in mijn handen, de informatie op achterkant en binnenhoes, het feit dat een gekochte lp ook echt van mij was.
Inmiddels, nu ik een klein jaar beschik over componenten in mijn installatie waarmee ik muziek in een met de geluidskwaliteit van mijn platenspelers vergelijkbare kwaliteit kan streamen, zie ik de voordelen. En hoewel ik elke keer als ik na een tijdje streamen weer een lp beluister denk dat dat toch wel mooier klinkt, ben ik het als een zeker iets toevoegende luisteroptie gaan zien.

Het is of wordt uiteindelijk denk ik de nieuwe manier van luisteren. Het formaat voor de toekomst. Gelukkig is er een grote, nog altijd groeiende groep jongeren die een platenspeler aanschaft en begint met het opbouwen van een vinylcollectie, maar met de dreigende verdwijning van de cd worden muziekcollecties meer en meer vervangen door online-bibliotheken.

Streamingservices, begonnen in het armzalige mp3 formaat, zijn inmiddels een serieuze speler in de audio-wereld geworden. Spotify kan het zich veroorloven om niet haantje de voorste te zijn bij alle ontwikkelingen, maar de meeste services bieden inmiddels minimaal cd kwaliteit. Je moet er natuurlijk wel iets voor doen. Zo is, rechtstreeks beluisterd via een telefoon, een externe dac noodzakelijk om de bestanden beter te laten klinken.
De ingebouwde dac voldoet niet. Dat is ook logisch want een telefoon is toch vooral een alleskunner waarbij muziek beluisteren slechts één van de mogelijkheden is. De kwaliteit van de dac is daarop afgestemd.

Met AirPods beluisterd is het via Tidal en Apple Music inmiddels mogelijk om veel muziek in een vorm van surround audio te beluisteren. Het in een eerdere column genoemde upgrade virus kent in mijn leven een vertakking die niet zozeer te maken heeft met het stapsgewijs verbeteren van de audio-installatie componenten, als met nieuwsgierigheid naar nog buiten mijn bereik liggende luisteropties.

Ik ben zo extreem besmet met dit virus en dan met name de ultra besmettelijke Beatlesvariant, dat het voor mij een bron van onrust is om een deluxe boxset van b.v. The White Album te hebben liggen met daarin een schijfje met 5.1 mixen zonder dat ik dat kan beluisteren. Ik moet en ik zal die mix horen.
Dus kwam er een 5.1 systeem in onze studio. De ervaring was om meerdere redenen verslavend.
Allereerst is het een nieuwe mix waardoor het oud vertrouwde weer fris klinkt en ik nieuwe lagen in de muziek mocht ontdekken.
Daarnaast is die ruimtelijkheid echt gaaf. Zittend tussen speakers en omgeven worden door de muziek is top. Het is zeker geen vervanging voor de vertrouwde manier van beluisteren in stereo of mono, maar een zeer welkome aanvulling.
Daar komt nog bij dat ik erg veel belang hecht aan respect t.o.v. het werk van artiesten, kunstenaars etc. Het is, vind ik, belangrijk dat de mensen die verantwoordelijk zijn voor een muzikale nalatenschap, daar goed mee omgaan. De erfenis moet veilig zijn.

Aan een remix kan altijd het gevaar kleven dat het een herinterpretatie wordt.
Bij surround-mixen bestaat dat gevaar niet. Er wordt nl. iets nieuws gecreëerd. Ik laat dan de quadrafonische mixen die een enkel album ooit gekregen heeft buiten beschouwing. Dat formaat heeft het nooit gered.
Om die reden kan ik ook genieten van ‘The Beatles Love’. Ik luister er niet vaak naar, maar als ik dit album beluister is er, naast de onrust die deze mix toch een beetje in zich draagt beluisterd zonder de begeleidende visuele aspecten, echt genoeg om enthousiast over te zijn. Ook dit is weer een verrijking die geen afbreuk doet aan wat er al is.

Helaas had ik mijn 5.1 systeem nog niet geïnstalleerd of er vond een verschuiving plaats naar Dolby Atmos. Atmos werkt anders dan 5.1 surround. Het maakt gebruik van reflectie via het plafond. De schoonheid van dit soort mixen kan niet voldoende weergeven worden middels vijf speakers en een subwoofer.
Toen niet veel later duidelijk werd dat de blu ray schijfjes in de jubileumedities van Beatles-albums tot het verleden behoren, werd het weer tijd voor mijn onrust om de kop weer op te steken.
Giles Martin gaf nl. als reactie op de protesten van fans over het ontbreken van de schijfjes met surround-mixen (‘Revolver’) aan dat hij: ‘would look into it.’
Dat klinkt toch als een dooddoener.

Bij Apple Music en Tidal zag ik onder het album artwork steeds vaker Dolby Atmos of een vergelijkbare aanduiding staan. Om deze mixen te kunnen beluisteren zou ik echter AirPods Pro moeten hebben.
Ik heb, voor mijn doen, best lang getwijfeld. Maar uiteindelijk zijn ze er toch gekomen. Vooral ook omdat Andrew van Parlogram Actions er lovend over was. En als hij het goedkeurt ben ik verkocht.
Ik heb die dingen gekocht ondanks een paar stevige vraagtekens.
Zo werken ze via Bluetooth en dat is zo ongeveer de minst wenselijke manier om muziek te streamen. Teveel geluid voor te weinig ruimte.

Maar uiteindelijk viel het erg mee. Het is geen partij voor Hifi hoofdtelefoons en hoe surround de ervaring is, is een vraag waarop, afhankelijk van het album, meerdere antwoorden mogelijk zijn. De ervaring is minder ruimtelijk dan via mijn dolby 5.1 systeem. Het komt qua ruimtelijkheid het dichtst bij het klankbeeld van een kwalitatief redelijke (open) hoofdtelefoon.
Of zoals Dweezil Zappa (idd zoon van) het zegt in een interview n.a.v. zijn Atmos mix gemaakt voor de meest recente jubileumuitgave van Deep Purple’s ‘Machine Head’: ‘Veel mensen luisteren nu via de hoofdtelefoon naar die mix, wat eigenlijk een stereo-plus versie is. Eigenlijk moet je het via meerdere luidsprekers doen….’

Om even bij de meeste recente heruitgave van ‘Machine Head’ te blijven. Dweezil veroorlooft zich (net als Giles Martin die in het interview nog genoemd wordt) een behoorlijk aantal vrijheden. Alle keuzes maakt hij als fan van dit album. Hij wil dingen meer in het zonnetje zetten. Uiteindelijk ontstond er zo een herinterpretatie van het album, waarbij de ontwijkende reacties van de bandleden doen vermoeden dat het niet helemaal hun keuze is geweest om het zo ver door te voeren. Dweezil zelf ziet het als een nieuwe versie van het album die bestaansrecht heeft naast de oorspronkelijke versie. De rechtvaardiging: ‘omdat het nu kan’ klinkt een enkele keer.
Het is blijkbaar ook een generatie dingetje. De mensen van het eerste uur lijken er minder mee te hebben, de jongere generatie ervaart de nieuwe wereld, ontsloten door de digitale opties die er nu zijn, als een meerwaarde. Meer keuzes, meer meningen, meer verantwoording voor wat toch cultureel erfgoed is.

Maar goed, terug naar the Fab Four en de Atmos mixen.
De ruimtelijkheid van albums als ‘Let it Be’ die ik al in hun 5.1 mix kende ervoer ik als erg prettig maar zelfs bij benadering niet zo goed als over de vijf speakers en een sub.
‘Abbey Road’ heeft daarbij nog het grote nadeel dat de Atmos mix, anders dan de stereo-mix, zowel bij Apple Music als Tidal niet zonder onderbrekingen over gaat van song naar song. Dat maakt kant twee onluisterbaar.

De aanschaf van de AirPods betaalde zich echter meer dan terug toen ik het album ‘McCartney’ in zijn Atmos incarnatie beluisterde. Wat werkt dat goed voor dit intieme album. Je wordt als luisteraar omgeven door klanken en voelt je daardoor een bezoeker aan Cavendish Avenue NW8.

‘Band on the Run’ bleek in surround ook een sublieme aanvulling op de reeds gekende luisterervaring. De saxofoon-solo van Bluebird klinkt warmer en meer aanwezig. Helaas verliezen de koortjes in deze song iets van hun schoonheid in vergelijking tot de vinylversie, waarschijnlijk omdat de ruimte die de sax inneemt ergens vandaan moet komen. Het eeuwige plussen en minnen verhaal van gemaakte keuzes. Maar het is te gek om te kunnen afwisselen tussen de verschillende manieren waarop je dit album kunt beluisteren.
Het slaggitaartje van ‘Jet’ mag ook niet onvermeld blijven en bij ‘Mrs Vanderbilt’ lijkt Paul’s ’No Use’ response op zijn eigen vraag naar zingeving wel van heel ver weg te komen. Erg leuk.

Lennon’s albums ‘Mind Games’ en ‘’Wals and Bridges’ klinken op vinyl en cd, gebukt gaand onder hun oorspronkelijke productie, nogal geklusterd. Het is allemaal erg massief. Nu komen er gelukkig steeds meer remixen van de hand van Sean. Over een paar maanden verschijnt ‘Mind Games’ in een nieuwe mix. Voor wie niet wachten kan is er al het voorproefje zoals dat te vinden is op ‘Gimme Some Truth’. Schitterende mixen die de muziek veel meer recht doen.
Ook de Atmos mixen zijn geweldig. Een song als ‘Whatever Gets You Thru The Night’ die ondanks de tomeloze energie van muziek en musicerenden altijd geremd werd door de logheid van de productie, swingt in de Atmos mix en de stereo mix van Sean de pan uit.

Ik heb een beetje een dubbel gevoel bij de 2023 remixes van de rode en blauwe collectie. Veel is mooi, maar er zijn ook twijfelachtige keuzes. Laat ik me na eerdere columns gewijd aan The Beatles 1962-1966 en The Beatles 1967-1970 beperken tot één song: ‘I am the Walrus’.
Ik denk dat we het erover eens kunnen zijn dat de keuzes die Giles Martin gemaakt heeft met name in ‘Walrus’ op z’n zachtst gezegd niet onomstreden zijn.
De stereo-mix, los van de vraag of een relatieve buitenstaander dingen zo extreem mag veranderen, overtuigt veel mensen niet. Ik hoor bij die groep. Maar luisterend naar deze track in de Dolby Atmos mix via de AirPods wordt het een ander verhaal. De mix lijkt wel gemaakt met het oog op deze Atmos variant. Het klinkt logisch en boeiend. Het feit dat hier een heel nieuw klankspectrum gecreëerd is in een formaat dat in 1967 niet bestond, maakt de ‘mag dit?’ vraag overbodig.

Het grappige is dat ik een soortgelijk gevoel heb bij de bonustrack van ‘New’ genaamd ‘Struggle’. Nee, er is (voor zover ik weet) geen surround mix van deze song. Maar qua productie lijkt ze gemaakt voor beluisteren m.b.v. AirPods. Daarmee beluisterd klinkt de song veel intenser dan beluisterd via mijn Hifi installatie.
Voor het wat klassieker klinkende ‘Demon Dance’ geldt dan weer het tegenovergestelde. Deze track leeft veel meer via de installatie beluisterd en is wat vlak via de Pods.

Voor het overgrote deel van de muziek waar ik naar luister zal, het Atmos aspect buiten beschouwing latend, gelden dat de installatie het wint van de AirPods. Maar er is ook een klein aantal songs dat gemaakt lijkt met het oog op een nieuwe manieren van beluisteren.

Een mooie bonus van deze AirPods: ze zijn zeker geschikt om mono-opnames te beluisteren. Mono is als formaat totaal ongeschikt om te beluisteren via een gewone hoofdtelefoon. Maar deze ruimtelijk klinkende dopjes doen mono absoluut recht. Over speakers is mooier, maar het is een zeer goed alternatief als je je huisgenoot niet lastig wilt vallen met je hobby.
Ook een aanrader: verbinden met je tv en een concertregistratie van McCartney kijken. Klank en ruimtelijkheid zijn mooi. Weer niet zo gaaf als een setup met meerdere speakers, maar een erg goed alternatief.

Na een paar weken redelijk intensief gebruik ben ik nog steeds enthousiast over deze in ears, maar inmiddels heb ik wel een kleine kanttekening. Alle lof die de kleine dingen toegezwaaid wordt moet wel in het juiste perspectief gezien worden. Bluetooth is de grote spoiler. Een High Res streaming service als Tidal geeft tijdens het beluisteren aan dat de aangegeven audio-kwaliteit niet beschikbaar is via BlueTooth. De gele High of Max aanduiding vervaagt.
Qua klank valt dit ook op, zeker vanaf het moment dat het aanvankelijk enthousiasme voor de Atmos illusie plaats maakt voor gewenning. Het is allemaal, voorbij luisterend aan de gesuggereerde ruimtelijkheid, wat vlakker, kaler dan via een HiFi hoofdtelefoon.
Het irriteert absoluut niet, maar het is ook zeker geen onopvallend verschil.

Alles tegen elkaar wegstrepend hebben die AirPods maar één echt nadeel. Naast de vele opties die ik al had om naar muziek te luisteren, heb ik er nu nóg één bij. En ik kom al zoveel tijd tekort.

Energie

energie

Hij loopt na de les de studio uit. Ik volg op een paar passen om de volgende leerling op te halen. Bij zijn fiets gekomen draait hij zich, terwijl hij zijn broekzakken afzoekt naar het sleuteltje van de fiets, naar mij om.
‘Wat vind je eigenlijk van het nieuwe album van de Stones? Of nieuw…het is inmiddels natuurlijk al weer zo’n vier maand oud.’
 
Hij is onlangs achttien geworden en heeft sinds een jaar of drie pianoles van mij. We delen een passie voor The Beatles, die tijdens de lessen dan ook regelmatig ter sprake komen. Een oeuvre waaruit ik graag put als ik voorbeelden nodig heb om mijn uitleg te illustreren.
Sinds het heen en weer volgend op zijn vraag weet ik dat wij ook hetzelfde denken over The Rolling Stones.
 
Muziek emotioneert. Muziek genereert energie. Als ik na een dag werken ‘s avonds uitgeblust op de bank plof, werkt niets zo goed als luisteren naar muziek om weer fit te worden.
Het valt niet te ontkennen dat The Rolling Stones een energieke band is. Hoe tachtiger Jagger het voor elkaar krijgt om nog zo te keer te gaan op een podium is verbazingwekkend. Ook de albums van de band lopen over van energie.
Ik weet niet of ik mezelf fan mag noemen van deze band, maar elk album staat hier minstens één keer in de kast, dus ik vind het zeer zeker aansprekende muziek.
Naast albums uit de periode die door iedereen wordt gezien als hun beste periode, de jaren beginnend met ‘Beggars’ en eindigend met ‘Exile’, heb ik een zwak voor een behoorlijk aantal albums en één daarvan is ‘Black and Blue’. Mooie songs, fijn dat Preston zo aanwezig is op dit album en een hoes waar veel jeugdherinneringen aan kleven omdat een vriend van de middelbare school dit album had. Zonder het ooit bij hem te hebben beluisterd, zorgt het feit dat het album daar rondslingerde en ik het dus vaak zag liggen, ervoor dat deze hoesfoto nostalgisch maakt.
 
‘Black and Blue’ is een album dat de verschillen tussen Beatles en Stones goed illustreert. ‘Black and Blue’ is in veel opzichten een fascinerend album. Het is energiek, loopt over van de boeiende rifjes en motieven, het swingt en hier en daar raakt het aan zachtere kanten van het muzikale kleurenpalet. Maar zoals dat wel vaker gaat bij de muziek van The Rolling Stones, heb ik niet altijd zin in dit album. Lang niet altijd. Alles wat het nl. tot een boeiende songcollectie maakt wordt onderuitgehaald doordat elke track gewoon te lang is. Het feit dat deze band na ‘Exile’ ook nog eens in een soort huisstijl is gaan musiceren, maakt het nog iets minder boeiend. Er kleeft een ‘daar gaan we weer’ gevoel aan het latere Stones werk.
Dus op gezette tijden vindt ik het te gek, maar op andere momenten beleef ik niet genoeg luisterplezier aan de manier waarop de heren energie genereren.
 
‘Wat vind je eigenlijk van het nieuwe album van The Stones?’ 
Het hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Deze mannen weten hoe ze een perfect album af moeten leveren. Maar dit is natuurlijk wel weer een typisch Stones album. Energiek in het kwadraat, pakkende songs, assertieve teksten. Ook ‘the ancient art of weaving’, het vlechtwerk dat de gitaren van Ron en Keith nu al decennia creëren ontbreekt niet. 
De avond voorafgaand aan de dag dat mijn leerling vroeg wat ik ervan vond had ik ‘Hackney Diamonds’ toevallig weer eens uit de kast getrokken, om na het beluisteren van kant A over te gaan op een album van een andere artiest.
Ik geloofde het die avond wel. De opbouw van veel songs met de later inzettende bas die begint met een opmaat-loopje naar een volgende eerste tel. De ritmes in de gitaren. De kortademige, qua omvang erg beperkte zanglijnen van Mick. Weten dat er op kant twee weer eens de door hemzelf gezongen obligate Keith Richards song gaat volgen. Richards die nu al meer dan dertig jaar telkens weer dezelfde song schrijft voor dit onvermijdelijke moment op elk album……
Het komt er denk ik op neer dat los van de andere albums van de band beoordeeld, dit laatste album een meer dan prima album is. Maar in het gehele oeuvre is het vooral een betere versie van wat vooraf ging. Dat maakt dat ik er soms heel erg van kan genieten, maar vaak heb ik er geen zin in, of heb ik na één kant wel weer genoeg gehoord.
 
Hoe ik een album ervaar is mede afhankelijk van het totale scheppen van een artiest of band. Neem iemand als Neil Young. Zijn songs bewegen tussen extreme (edel)kitsch en ruige rock, tussen ballads en experimentele muziek. Dat maakt de ‘foute’ songs, de songs op of over de grens van kitsch in zijn canon meer acceptabel. Ik kan ze meer waarderen omdat hij ook die andere kant heeft, die ‘jullie kunnen me allemaal wat, ik doe lekker wat ik zelf wil’ kant.
 
Of Billy Joël. Hem wordt vaak verweten dat het allemaal net iets te makkelijk is. Een verwijt dat ook wel eens richting McCartney klinkt. Zoals Howard Sounes het benoemt in zijn McCartney-biografie ‘Fab’; die ontbrekende laatste vijftien procent gedane moeite.
Misschien zit er iets in, misschien niet. Maar als ik af en toe een album van Billy Joël beluister hoor ik veel verrassende aspecten in de arrangementen, zelfs binnen een song. Ik hoor een bepaalde song-structuur maar mocht ik al eens denken dat ik weet hoe het verder gaat, introduceert hij opeens een nieuwe bouwsteen. Een nieuwe harmonisatie en melodie, een ander element in het arrangement enzv.
Wat niet wil zeggen dat dit muziek is waar ik net zo vaak naar luister als naar de muziek van The Beatles. Nee, dat nu ook weer niet. Maar als ik aan een album van de man begin beluister ik het tot het eind zonder neiging de naald van de schijf te halen.
Een stijl als handelsmerk heeft zeker z’n charme, maar het kan ook tegen de artiest werken. Neem The Who. Op twee albums na staat alles van hen hier tussen de lp’s. Ze hebben dus zeker mijn positieve aandacht. Maar waar ik deze albums meestal kan waarderen, zijn er ook aspecten die door de herhaling op zo ongeveer elk album bij momenten voor irritatie zorgen.
Dat Roger Daltrey vaak zingt alsof hij de broer van hurricane Katrina is, is niet altijd mijn ding. ‘Behind Blue Eyes’ biedt dan niet genoeg compensatie.
Keith Moon laat geen kans onbenut om de kostprijs van zijn drumstel in no time terug te verdienen. Hij moet en zal elke keer weer alles raken. Vaak geweldig, maar ook met regelmaat voorspelbaar. De break op zich mag dan fenomenaal zijn, maar de onvermijdelijkheid ervan is niet je dat. 
 
De muziek van The Beatles is veelkleuriger. Zij zijn zo goed als nooit in herhalingen vervallen. The Fab Four genereren ook energie. Energie die voor sommige mensen misschien moeilijker te herkennen is. Een leerling van mij, een man van midden zestig, dacht dat de muziek van The Stones compositorisch veel complexer zou zijn dan de muziek van The Beatles. 
Het vuurwerk van The Stones won het in zijn beleving van de subtielere muziek van John, Paul en George. Dat mag natuurlijk. Over smaak valt niet te twisten. Maar denken dat de muziek van Jagger-Richards muzikaal technisch gezien interessanter zou zijn dan die van Lennon, McCartney en Harrison is een misvatting. Ik doel hierbij niet op wat muziek in iemand teweeg brengt. Dan kan Stones muziek complexere gevolgen hebben dan de muziek van The Beatles. Nee, ik heb het over het vakmatig aspect. Puur muzikaal technisch is de muziek van The Beatles van een andere orde. Maar ja, dat is deze muziek in vergelijking tot de muziek van zo ongeveer elke andere artiest of band. Er zijn niet voor niets meerdere lijvige boeken geschreven over de harmonische- en melodische bouwstenen van deze muziek.
 
Natuurlijk en gelukkig hebben The Beatles  veel songs gemaakt waar de energie vanaf spat. Maar daarnaast is er ook de energie die verborgen gaat onder rust, ogenschijnlijke eenvoud en gemak. Deze muziek is vaak zo logisch geconstrueerd dat de intelligentie achter de harmonische- en melodische bouwwerken de luisteraar makkelijk kan ontgaan.
 
‘You never give me your money’ b.v. verbergt onder een ogenschijnlijk eenvoudig begin een prachtige akkoorden reeks. Een reeks met elkaar voorbonden door de gedeelde afstand van een kwint. Hierdoor glijdt elk akkoord moeiteloos het volgende akkoord binnen. Dat Paul, om niet eindeloos door te gaan in deze beweging die hem te ver van huis zou brengen, na een aantal maten een prachtig Fmaj7 akkoord laat volgen door een b halfverminderd septiemakkoord, dat als hij de reeks consequent had voortgezet een Bes akkoord zou zijn geweest, zonder dat dit als een wrat op een verder glad oppervlak wordt ervaren, getuigt van meesterschap. 
De altijd wat moeilijke tritonussprong van de baslijn (f naar b) voelt niet minder warm dan de sprongen die eraan vooraf zijn gegaan. Dit b halfverminderd septiemakkoord opent de weg (als tweede trap) terug naar het vertrekpunt. Het a mineur van het begin. En laat ik maar niet beginnen over de modulatie die de tweede en de derde sectie met elkaar verbindt. Dit soort dingen vind je nergens in de muziek van de Stones. Maar dat is ook niet waar hun kracht ligt.
 
Misschien is dat wel wat de muziek van The Beatles meer iets voor bijna elke dag van mijn leven maakt en de muziek van The Stones iets dat geschikt is voor sommige momenten. De gelaagdheid in de muziek van The Beatles houdt het boeiend. Ik kan ernaar luisteren zonder me bezig te houden met de meer verborgen muzikale vormen en bouwstenen. Maar als ik wil kan ik ook muzikaal-theoretisch aan mijn trekken komen.
Eigenlijk zijn die twee aspecten van muziekbeleving natuurlijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik benoem ze gescheiden van elkaar ter illustratie.
The Stones zijn een energieke band. Hun handelsmerk is toch vooral die tomeloze energie.
Mijn vrouw kijkt nooit naar concertregistraties. Dat boeit haar niet.
De enkele keer dat ik naar een opname van een Stonesconcert kijk, kijkt ze graag mee omdat ze die shows geweldig vindt. Dat doen ze ook aanstekelijk goed en dat aspect van muziek maken doordrenkt tevens hun albums.
 
Maar ik heb niet elke dag zin in muziek die het van dat soort energie moet hebben. En op momenten dat ik dat niet zoek in muziek, blijft er  voor mij niet genoeg over en kom ik niet verder dan het eind van de eerste kant van het nieuwe album.
 
Bij The Beatles is het een ander verhaal. Zelfs als ik even geen zin heb in deze muziek (ja dat kan ook nog), is het ondenkbaar dat ik anders over hun muziek ga denken.
Ook gedurende de weken dat ik niet naar ze luister, dat ik helemaal op ga in de muziek van The Golden Earring, van Neil Young, of eender wie, weet ik nog dat ‘The White Album’ voor mij het mooiste popalbum is dat ooit gemaakt is. Het is een fotofinish maar dit album uit 1968 heeft in de snoepwinkel die Beatlesmuziek heet een minmaal streepje voor op ‘Abbey Road’, ‘Revolver’ en ‘Rubber Soul’.
Ik mag dan af en toe geen zin hebben in dit album, ik weet dat het in alle opzichten getuigt van muzikaal vakmanschap. Dat het overloopt van muzikale subtiliteit.
 
Dus wat vind ik van het nieuwe album van The Rolling Stones? 
Dat hangt af van de dag waarop je dat vraagt. 
Bij The Beatles zal het antwoord voor eender welk album op elk moment dat je me dat vraagt hetzelfde zijn: geweldig!
Zo en na al dat geschrijf over hen ga ik maar eens iets van The Stones beluisteren, of zal ik toch maar weer kiezen voor ……….

Goddelijke auto

Goddelijke
auto

Ik heb er wel een tijdje de pest in gehad. Meestal, als ik ergens mij onbekende foto’s van The Beatles of de individuele leden tegenkom, of bekende die ik nog niet in de cloud heb staan, sla ik ze onmiddelijk op. Weggooien kan immers altijd nog.
Helaas net die ene keer niet. En dat terwijl het een geniale foto is. Of eigenlijk was de foto tamelijk gewoontjes, maar de situatie was geweldig en ongelooflijk veelzeggend.

George Harrison staat op die foto naast zijn nieuwe auto. Het soort auto dat een Ferrari op een DAF laat lijken.
Modelletje het mag wat kosten. Een prachtige kleur blauw-zwart. Deuren die naar boven wegklappen wat de auto het aanzien van een roofvogel geeft. Een roofvogel op het punt zich op zijn prooi te laten vallen.

George lacht voluit. Het is niet duidelijk of hij lacht omdat hij zo gelukkig is met de nieuwe aanwinst, of omdat hij de humor van de situatie wel in kan zien.
Rond de auto staan nl. een paar mensen waarvan één een Hare Krishna aanhanger is. George showt zijn bolide.
Ik vind dat hilarisch. Een man in een gewaad dat er uitzien alsof het aan een derde en laatste leven begonnen is, een man met als meest kostbare bezit een mala, krijgt van George uitleg over een auto die nu niet bepaald getuigt van spiritualiteit.

De ex-Beatle, in zijn nieuwe leven naast musicus toch vooral tuinman en spiritueel zoeker, geeft toe aan een werelds genoegen van de buitencategorie. En niet alleen dat, maar één van de monniken die hem mocht begeleiden tijdens zijn zoektocht naar spirituele vervulling, naar het achterlaten van de wereldse waan, zag een medezoeker die niet alleen het spirituele even op de spaarbrander zet, nee, hij gaat zelfs helemaal los in materialisme.

Tegelijkertijd is er dat relativerende lachje. Die ‘ja jongens, ik weet dat dit helemaal fout is, maar laten we het niet te serieus nemen’ houding.
Dat maakt het voor mij tot een geweldig plaatje.
Om het nog absurder te maken had deze McLaren F1 een OHM teken op alle wielmoeren.
Dat dan weer wel.

Het is het constante gevecht geweest van George. Helemaal willen gaan voor een spiritueel leven en tegelijkertijd de genoegens van een meer materialistisch leven niet los kunnen laten.
Er was de rust van zijn landgoed. Het constante werken op dat landgoed aan en met alles wat daar groeide en bloeide. Er was het mediteren, er was een leven dat raakte aan een kluizenaars bestaan. Maar er waren ook de vele auto’s. Er was de interesse in vrouwen. Er waren, na zijn dood, de opmerkingen van Olivia waarin ze liet doorschemeren dat haar man ook na hun huwelijk nog een bovenmatig interesse in andere vrouwen had gehad.

En er was dat relativerende lachje. Neem b.v. het ‘Anthology’ project. Zittend aan een tafel is het vooral Paul die praat en op de hem kenmerkende manier met een soort 2.0 enthousiasme vertelt. Telkens is er weer dat lachje van George. Dat lachje waarbij zijn hoofd een beetje naar boven lijkt te bewegen, weg van de schouders. Een lachje dat zegt; dat kun je nu wel zo zeggen, maar de werkelijkheid was toch iets minder prozaïsch. Het waren The Beatles maar.

Hij was bepaald niet trots op het feit dat hij een ex-Beatle was. Sterker nog, hij wilde een eigen identiteit opbouwen, helemaal gescheiden van Beatle-George.
Een complexe man die een gecompliceerd leven geleefd heeft. Een leven dat hem en zijn drie vrienden al op zeer jonge leeftijd de beloning had gegeven voor het harde werken in o.a. Hamburg. Een beloning die steeds meer een straf, een gevangenis zou blijken te zijn. Dit had hij niet gewild, maar de rest van zijn leven zou hij ‘dit’ wel met zich mee moeten zeulen.

George heeft niet vaak getourd. De grootste tour bleek alles behalve een succes. Dat hij ook voor volle zalen deed wat voor hém belangrijk was en de wensen van zijn publiek negeerde hielp daarbij niet. Was hij zijn tijd ver vooruit of enkel eigenwijs? We zouden het nu wereldmuziek noemen. Een muzieksoort die inmiddels geen rechtvaardiging meer nodig heeft om gespeeld te worden, maar de concertbezoekers van het midden van de jaren 70 deelden de liefde van George voor de Indiase muziek niet. En deze fans wilden al helemaal niet dat Harrison teksten van zijn Beatlessongs veranderde.

De beelden van een latere tour met Eric Clapton door Japan laten een man zien die niet gemaakt lijkt voor het podium. Een tuinman die door omstandigheden op een verkeerde plek beland is.
Ik vind dat wel mooi. Zo de wereld aan je voeten hebben gekregen, zo extreem groot geweest zijn en dan uiteindelijk makkelijker bewegen tussen planten en bomen, dan tussen vakgenoten op een podium.

Het is in dat opzicht wel grappig dat zijn onbetwiste meesterwerk, zijn grootste solo-prestatie een super-de-luxe aankleding heeft gekregen in een prachtige box. Drie schijven vinyl, een poster, prachtige binnenhoezen en de mooi verzorgde oranje binnenkant van de doos zelf. Tegelijkertijd laat hij zich als een soort tuinman fotograferen voor de hoesfoto. Een foto zonder kleur met een man die je geld zou willen toeschuiven zodat hij zich eens wat fatsoenlijke kleding zou kunnen veroorloven. Neemt niet weg dat het een geweldige coverfoto is.
Dat dubbele, dat zweven tussen twee werelden is geweldig. Het is de belichaming van het relativerende lachje. Het is de subtiele humor van de man die naar zichzelf kan kijken en kan lachen om hoe men hem ziet. Hoe hij zichzelf ziet.

Maar het heeft ook iets triests. Misschien relativeerde hij enkel voor de buitenwereld en vond in zijn binnenste een permanent gevecht plaats tussen de George die van luxe hield en de George die het Hogere zocht. Een gevecht tussen de man die om wat voor reden dan ook  op gezette tijden als popmusicus naar buiten trad en de man die het liefst door zijn tuinen dwaalde.
De man die het leuk vond bezoekers in zijn tuinen te laten schrikken door gebruik te maken van verborgen gangen en paden, waarna hij volkomen onverwacht opdook voor de neus van de persoon die even daarvoor nog dacht dat ze elkaar kwijt geraakt waren.
Feit is wel dat de ‘stille Beatle’ helemaal niet zo stil was.
De stille Beatle was eigenlijk vooral de ‘verveelde Beatle’ die het opgegeven leek te hebben om voor zijn plekje naast de leiders van de groep te vechten.
Maar ja, de tuinman zou zonder The Beatles nooit Friar Park hebben kunnen kopen. Zelfs zijn uiteindelijke woonplek bleek een huis met een knipoog. Een landhuis met de allure van adelijke grootsheid, de herinnering van lang vervlogen tijden, gecombineerd met de sprookjesachtige humor van sir Frank Crisp van harte overgenomen en in stand gehouden door de beroemde nieuwe eigenaar. Wonen in een paleis dat bol staat van humor. Een woning die met de eigenaar mee lijkt te lachen: jongens laten we het allemaal niet te serieus nemen!
De man die geen fan was van Beatle-George kon misschien zelf wel lachen om het feit dat juist Beatle-George het mogelijk had gemaakt dat een ten diepste eenvoudige tuinman een McLaren F1 had kunnen kopen.

Vijftig jaar op de vlucht

Vijftig jaar op
de vlucht

‘Ik denk dat ik het bij één of twee keer beluisteren houd.’
‘Dit voegt echt niets toe.’
‘Weer een makkelijke manier voor McCartney om geld te verdienen aan een oud album.’
‘Wat is het nut hiervan?’
Reacties van fans op de ‘underdubbed’ schijf die als extraatje is toegevoegd aan de onlangs verschenen jubileumuitgave van ‘Band on the Run’.

Jeetje, vijftig jaar oud! Dit album dat, toen ik het voor het eerst zag staan in de bakken van de platenzaak waar ik veel te vinden was, de albums van The Beatles oud liet lijken. Albums die op dat moment vergeleken met ‘Band on the Run’ oud wáren. Dít was waar ex Beatle Paul zich nu mee bezig hield. Dit was zijn nieuwe geluid. Ooit, in een ander decennium was hij onderdeel geweest van misschien wel de grootste band aller tijden, nu was hij de leider van een op dat moment gedecimeerd, maar zo zou blijken, zeker niet vleugellam ‘Wings’.

Het exemplaar van dit album dat ik in die tijd aangeschaft heb zal dus ook zo’n vijftig jaar oud zijn. Je ziet het eraan af. Vale kleuren die meer naar bruin dan naar zwart neigen. Beschadigingen langs de randen en hier en daar heeft het laagje plastic dat de foto laat glanzen en moet beschermen een beetje losgelaten waardoor er druppels op de afbeelding lijken te liggen.
De meest recente heruitgave daarentegen ziet er geweldig uit. Beter waarschijnlijk dan mijn oude exemplaar er ooit uit heeft gezien. Niet gelamineerd, dus de druppelachtige plastic problemen van het oude exemplaar zullen deze versie nooit ontsieren. Een bruin zo donker dat het naar zwart neigt. Zwaar 180 grams vinyl. Halfspeed mastered. De nieuwste toevoeging aan de serie heruitgaven ter gelegenheid van een groeiend aantal albums dat het moment van het vijftigjarig jubileum passeert. Een serie die, mag je aannemen, zal blijven groeien. Dit in tegenstelling tot de ‘Archive Collection’ die tot stilstand lijkt te zijn gekomen.

Halfspeed mastering, een proces dat de hoge tonen op vinyl meer recht moet doen. Een proces dat, zoals dat altijd gaat, voor- en tegenstanders kent. Er wordt wel eens gezegd dat het mooiere hoog kan leiden tot een teveel aan hoog. Deze mastering keuze voor vinyl kan een bepaalde schelheid tot gevolg hebben. De winst, naast het helderder hoog, zit ook in een betere separatie van de verschillende elementen in een mix.
Over het algemeen klinken de albums in deze jubileumserie van McCartney geweldig. Met name ‘Wild Life’ en ‘Red Rose Speedway’ klinken waanzinnig. Laatstgenoemde album is zoveel beter gaan klinken dat het wel een ander, een nieuw album lijkt.

De halfspeed uitgave van ‘Band on the Run’ klinkt ook top. Maar het wow gevoel dat ‘Red Rose’ veroorzaakte ervaar ik hierbij niet. Misschien komt dat doordat mijn destijds aangeschafte exemplaar al geweldig klonk waardoor er minder winst te behalen was.

De nieuwe versie, verschenen op vrijdag twee februari, kent meerdere varianten. Naast de uitgave op één lp zijn er een twee cd-versie en een twee lp-versie.
De versie met één schijf heeft als grootste pluspunt de aanwezigheid van een obi-strip. Geen halszaak. Het album gaat er immers niet beter door klinken. Maar elk reeds verschenen album staat hier in de kast mét zo’n strip. Over een aantal jaren heb ik dus een rij kleurige ruggen van McCartney-albums in de kast staan onderbroken door de witte, bredere rug van de box met twee schijven van ‘Band on the Run’. Ja ja, ik weet het; dat is nog eens een probleem.

Voor de boxset pleit dan weer de aanwezigheid van een schijf met zeg maar werk in uitvoering versies. Het is typisch McCartney om deze songs zonder overdubs ‘underdubbed’ te noemen.

De opmerkingen aan het begin van deze column die verwijzen naar de schijf met de ‘underdubbed’versies deden het ergste vrezen. Ik had verdorie toch voor de eenzame schijf mét obi moeten gaan!

Zondag vier februari, twee dagen nadat ik de box had ontvangen, was ik eindelijk in de gelegenheid de kale mixen van de bonusschijf te beluisteren maar niet nadat ik eerst enkele professionele recensies had gelezen, die over het algemeen erg lovend waren. Pffff, gelukkig, misschien had ik toch de goede versie gekocht.

Ik had het kunnen weten. Ik ben een fan van dit soort releases. Het soort releases dat, nu veel klassieke albums de vijftigjaar-mijlpaal bereiken, steeds meer op de markt komt.
Ik ervaar dit soort uitgaves als een toelichting op de oorspronkelijke releases.
Soms zijn de verschillen in het geval van ‘Band on the Run’ niet al te groot maar over het algemeen zijn ze ongelooflijk boeiend.

Neem b.v. ‘Jet’. Niet alleen klinkt alles droger, veel is ook anders in de mix geplaatst. De koortjes klinken in de uiteindelijke versie centraal in de mix. Hier klinken ze meer links en gaapt er rechts daarvan een gat bedoeld voor de nog toe te voegen blazers. In afwezigheid van deze blazers torent de zang van de koortjes hoog boven de mix uit. De ontbrekende dynamiek, gevolg van de afwezigheid van de orkeststemmen wordt meer dan gecompenseerd door de prominente plaats die met name de drums innemen. Dit gedecimeerde groepje popmuzikanten genereert enorm veel energie. En de droge klank heeft ook zo z’n charme. Ook de gestopte gitaarklanken rechts aan de uiterste grens van het klankspectrum zijn geweldig als tegenover van de gitaar links.
Het is bovendien gaaf om McCartney op verschillende momenten solo’s te horen vocaliseren. Solo’s die in een later stadium door buitenstaanders gespeeld zullen worden. Het vocaliseren bewijst weer eens dat Paul veel dingen al in een vroeg stadium in z’n hoofd had.

‘Let me Roll it’ kent een aantal afwijkende keuzes t.a.v. de reverb en een gek soort delay. Daarnaast zijn er een aantal door een extra gitaar gespeelde ‘interrupties’. Al luisterend dacht ik; best jammer dat dit allemaal gesneuveld is bij het mixen van de albumversie. Een aantal dingen zou een verrijking kunnen zijn. Maar toen ik daarna het album weer beluisterde, hoorde ik dat de uiteindelijk gemaakte keuzes toch veel beter zijn.

‘Nineteen hundred and eighty five’ staat als tweede op de b-kant van de ‘underdubbed’ schijf. Hier is gekozen voor een backingtrack tussenstand. Niet bijster boeiend zo zonder zang. Tegen het eind wordt het nog wel leuk. De lijn die daar opduikt om gedurende de fade-out te soleren kent een m.b.t. de mix nogal rafelige entree. Ook daarna kent de inmiddels overbekende solo een paar schoonheidsfoutjes. Toch wel leuk, maar niet zo leuk dat ik niet kan wachten tot ik weer tijd heb om ernaar te luisteren.

Het meest interessant zijn de songs die, zoals ‘Jet’, compleet met leadvocal als uitgeklede, vroege versies te horen zijn.
Het nog ontbreken van dingen die later wel op het album te horen zullen zijn, vestigt de aandacht op dingen die op het album in de veelheid van klanken wat minder belicht zijn.
Een gitaartje hier, een e-piano akkoordje daar. Het lijkt af en toe alsof een volgspot een ander element in het licht zet. Hierdoor krijgt de focus bij het beluisteren van het echte album weer nieuwe energie.

En dat is misschien wel de grootste bonus van dit soort schijven; niet alleen de nieuwe hoes glimt het in vergelijking tot mijn oude exemplaar uit, nee ook de muziek straalt weer als nieuw in mijn beleving door de frisheid van deze ‘underdubbed’ versies die ook afstraalt op het oorspronkelijke album. Ik luister er weer naar met een enthousiasme dat herinnert aan de kennismaking lang, lang geleden.
Een kennismaking in een jaar dat ‘Nineteen hundred and eighty five’ nog in de toekomst lag.

Virus

Virus

Nee, je zit er niet op te wachten, zo’n virus. Je voelt je, zoals de Engelsen zo mooi zeggen, ‘under the weather’, met gedoe t.a.v. je (werk)verplichtingen die je tijdelijk niet na kunt komen als gevolg. Het is niets gedaan zo’n virus.

Toch heb ik al decennia een virus waar ik heel blij mee ben. Ik zou het voor geen goud willen missen. Het betreft het zgn. upgrade-virus.
Dit virus kan je zoveel kosten als je zelf wilt, maar zeker wanneer je een enorme vinyl-collectie hebt valt het met de kosten hoe dan ook relatief gezien nogal mee, ongeacht het bedrag dat je eraan uitgeeft.
Het geeft nl. elk album in de collectie bij elke opwaardering een nieuwe glans, een nieuw leven.
Je hoort nieuwe dingen. Je hoort oude dingen anders. Dus die meters en meters lp’s klinken opeens weer zo nieuw dat het uitbreiden van de collectie wel even een tandje minder kan. En dat werkt dan weer besparend. Nieuwsgierigheid naar de nieuw ontsloten klankwereld van oude albums wint het van nieuwsgierig zijn naar onbekende albums. Althans, zo werkt dat bij mij en zo rechtvaardig ik het toegeven aan mijn virus.
Ik kan het iedereen aanraden, deze ziekte.

Ik ben er ook vorig jaar weer meerdere keren het slachtoffer van geworden en vooral bij beter opgenomen en geperste albums (op vinyl) kan het verschil immens zijn. Helaas is er ook een kleine bijwerking: naarmate de apparatuur beter wordt vallen de kwalitatief mindere albums meer door de mand.
Maar goed, om optimaal te kunnen genieten van de betere geluidskwaliteit van de nieuwe audio-spullen trek ik af en toe een album uit de kast, niet in eerste instantie om de muziek, maar vanwege de klank.

Zo lag de afgelopen maanden ‘Driving Rain’ van McCartney regelmatig op de speler. En als ik zeg dat ik dit album niet vanwege de muziek uit de kast trek, wil dat niet zeggen dat ik de muziek maar zozo vind. Ik vind het een erg mooi, zwaar onderschat album. Het heeft een geweldige flow van song naar song, de klank van met name gitaren en bas is te gek en de combinatie van gitaren en toetsen heeft iets ouds. Het klinkt naar vervlogen tijden. Het is ook een erg muzikaal album. Paul zei daar ooit over dat hij bij dit album heeft gekozen voor ‘the old way we used to record with The Beatles around the time of the early albums.’ Dus geen huiswerk voor de bandleden. McCartney bracht de songs mee naar de studio waardoor alles nieuw en onbekend was voor de band, net als ten tijde van The Beatles. Pas in de studio, op de dag van de opname hoorde de band de muziek voor het eerst.

Het doet denken aan een verhaal in het boek van Geoff Emmerick. Het verhaal waarin hij beschrijft hoe John Lennon ‘Strawberry Fields Forever’ introduceert in de studio en de reactie van Paul: ‘This is fucking great’ of iets dergelijks. Ik weet dat je Emmerick met een korreltje zout moet nemen omdat zijn geheugen hem wat in de steek liet, maar dit verhaal is te mooi om niet voor waar aan te nemen. De verrassing in de studio van wat er die dag op het menu zou staan, op herhaling, niet van hetzelfde niveau maar toch, voor de sessies van ‘Driving Rain’.

Producer David Kahne wordt door Paul als modern en uiterst muzikaal beschreven.
Misschien/waarschijnlijk is deze man medeverantwoordelijk voor de gave muzikale flow van het album.

Het album zweeft wat de teksten betreft ergens tussen het gemis van Linda en de liefde voor nieuwe vriendin Heather. Doordat dit al vrij snel niet de gezonde relatie bleek te zijn die Paul er getuige delen van dit album op dat moment in zag en dat is erg voorzichtig uitgedrukt, hangt er een soort schaduwachtige erfenis over het album. McCartney zelf negeert het album vooral.

Het gemis van Linda klinkt al door in de openingstrack ‘Lonely Road’. De hartslag van de bas in de openingsmaten zorgt voor een opvallende introductie tot deze songcyclus. Doordat Pauls stem tijdens het opnemen van ‘Road’ nog niet helemaal hersteld was van stemproblemen de week ervoor, heeft de zang een mooi ruw randje, passend bij de tekst.

‘Driving Rain’ ademt in veel dingen de sfeer van McCartney’s Beatles-verleden. Een behoorlijk aantal songs staat dicht bij de ontspannen sfeer van de ‘lovable moptop’ periode. En in ‘She’s given up talking’ klinken de experimenten van ‘Revolver’ door. Een in meerdere opzichten opvallende track. Dit valt buiten het normale idioom van Paul en staat bol van verrassende klankkleuren etc. Een ijzersterke track wat mij betreft.

‘I Do’ recyclet een vocaal stijlmiddel dat The Beatles vooral in de eerste jaren met regelmaat toepasten. Paul zingt het begin in een laag register om vervolgens voor vers twee voor het hogere octaaf te kiezen. De (vroege) Beatles kozen hierbij vaak voor het falset. Denk b.v. aan ‘Tell Me Why’ op ‘AHDN’ rond minuut1.35. Paul bereidt de octaafsprong hoorbaar voor, wat zorgt voor meer dynamiek tijdens de overgang.

De teksten zijn niet overal even goed. De titelsong gaat wat dat betreft het meest gebukt onder banaliteit, maar muzikaal gezien is deze song enorm aansprekend.
Met enige regelmaat duiken op het album zinnen op waar werkelijk geen touw aan vast te knopen is. De banaliteit van de titelsong stoort me, de onzin-zinnen niet. Waarom zou John dat wel mogen en Paul niet?

Het basspel is zoals altijd weer geweldig. De klank is ook prachtig. Warm en vol.
Zoals eerder gezegd zwengelt de bas het album in gang. Dit doet Paul met een terts die in maat twee van de openingssong een kwart wordt door de eerste toon te laten zakken, waarna maat drie en vier dit herhalen. Een prachtige klank die, hoewel het motief niet spectaculair is, de aandacht vestigt op een erg belangrijk aspect van de musicus/instrumentalist McCartney.
‘From a Lover to a Friend’ heeft ook een gave baspartij/klank. Het uitklinken in een soort kerkklok- geluid weerspiegelt een beetje de klok die ‘John Lennon Plastic Ono Band’ wakker bengelde.
Een prachtige overgang naar de voIgende song en over het algemeen zijn de overgangen tussen de songs heel erg geslaagd.

Net als ‘Flaming Pie’ kent ook dit album een paar min of meer uitgewerkte jams. Eén daarvan is ‘Spinning on an Axis’. Dat zweeft ergens tussen uitgewerkte jam en onuitgewerkte song. Hoewel het geen onuitwisbare indruk nalaat, is het toch interessanter dan de jam ‘Really Love You’ op ‘Pie’.
‘Jaipur’ en ‘Raindrops’ zijn zeker geen uitgewerkte songs. De eerste is gelukkig niet te lang, de tweede vind ik wel interessant maar helaas echt te lang.
Ik moet hier misschien bekennen dat alle lof voor dit album betrekking heeft op de eerste drie kanten van de vinyluitgave. Kant vier laat ik meestal voor wat het is, waardoor het album voor mij eindigt met ‘Back in the Sunshine Again’. Geen slecht eind. En wat ‘Freedom’ betreft; hier gun ik me de vrijheid om het bij één keer beluisteren te houden. Dat is muzikaal gezien niet aan mij besteed met z’n mars-achtige dreun. Daar komt nog bij dat, hoe begrijpelijk ook na de gebeurtenissen die de reden voor het schrijven hiervan waren, ik allergisch ben voor dit soort teksten. Recht hebben op vrijheid, God erbij halen. De geschiedenis van God als rechtvaardiging/excuus voor wat dan ook is zelfs zonder deze deun al veel te lang.

‘Driving Rain’ werd door de critici over het algemeen goed (tot zeer goed) ontvangen, maar de fans lieten het album links liggen.
Ik durf het bijna niet te vertellen, maar ‘Driving Rain’ is één van de albums van McCartney die ik het meest en het liefst beluister. Ik ervaar het als een echt musiceer-album. Het heeft een ‘hier speelt echt een band’ aspect, ook weer herinnerend aan de pre ‘Rubber Soul’ Beatles, waar ik van houd. Ik vind ook een overgeproduceerd album als ‘Pepper’ te gek, maar dit ‘samen in een ruimte muziek maken’ gevoel……. Wow echt fantastisch.

‘Flowers in the Dirt’ mag dan meer een fan-favorite zijn, ik heb veel meer met ‘Driving Rain’. Het jaren ‘80 filter over ‘Flowers’ met als dieptepunt ‘Motor of Love’ maakt het tot een luisterervaring die soms heel erg bevredigend is, maar soms kom ik er gewoon niet door. ‘Driving Rain’ is qua klank tijdlozer en daarmee toegankelijker. Echt een top album. Misschien niet McCartney’s beste album, maar het verdient veel meer aandacht dan het krijgt.
Het is te begrijpen dat Paul het vergeet, gezien de positieve aandacht voor Heather op het album, maar dat de fans het vergeten? Ik begrijp dat eerlijk gezegd niet.
En, om nog even terug te komen op mijn upgrade-virus: wil je demonstreren hoe goed je installatie kan klinken: dit is een aanrader, zeker op vinyl.