Mijn Paul, jouw Paul

Mijn Paul,
jouw Paul

‘George came up to me at a party once and said “My Paul is to me what your Paul is to you.”
He meant that psychologically they had the same effect on us. The Pauls inside us. Art Garfunkel vervolgt even later: ‘I think George felt suppressed by Paul and I think that’s what he saw with me and my Paul’.

Twee Pauls die beide een voormalig partner beschadigd achtergelaten hebben. Art Garfunkel dacht niet met liefde terug aan ‘zijn’ Paul nadat hun wegen uiteen waren gegaan en George Harrison? Ach, de relatie van George met McCartney wordt misschien het best samengevat in de woorden aan het adres van Paul tijdens die kille januarimaand in 1969: ‘I’ll play, you know, whatever you want me to play. Or I won’t play at all, if you don’t want me to play.’

Paul McCartney en Paul Simon, twee geweldige songwriters, scheppers van prachtige melodieën, grootmeesters in de kunst van het harmoniseren. Verhalenvertellers pur sang.
Twee keer Paul, twee keer een Paul inmiddels op leeftijd met een andere invulling van het begrip popster op leeftijd.
McCartney is in wezen nooit veranderd. Hij is zijn oude vertrouwde stijl trouw gebleven. Of eigenlijk moet ik zeggen dat hij zijn stijlen trouw gebleven is, want er was zo goed als altijd al de Paul van de ballads, de man van de muziek in jaren twintig stijl, de McCartney van de stevige rockers enzv. Deze Paul had vrijwel vanaf het eerste moment al een zeer uitgebreid kleurenpalet tot zijn beschikking. Kleuren die hij niet telkens op dezelfde manier mengde, maar toch; het was en bleef door de jaren heen duidelijk herkenbaar als van de hand van McCartney.
Ook als hij al eens meer voorbij de grenzen keek van zijn muzikale kaders en er b.v. vrolijk op los experimenteerde met synthesizers, was er die duidelijke McCartney basis. ‘McCartney II’ is een heel ander album dan b.v. ‘Ram’ of ‘Tug of War’, maar het is gedurende grote delen ook niet te missen van wie het is.
Deze Paul is inmiddels de grijze eminentie van de popmuziek geworden. Een status die hem meer dan toekomt.

Die andere Paul, de Paul van Art, heeft zich richting de oude dag anders ontwikkeld. Er is aanvankelijk die typische Paul Simon stijl, maar anders dan bij McCartney heeft Paul Simon zichzelf op een paar momenten opnieuw uitgevonden. Zo kiest hij, na ‘Graceland’ voor een meer minimalistische benadering. Een stijl die met wat fantasie een in minimal music gewortelde stijl genoemd zou kunnen worden. Vergelijk ‘Can’t run but’ van ‘The Rhythm of the Saints’ eens met ‘Still Crazy after all these Years’. Deze meer minimalistische benadering zal uiteindelijk z’n bekroning vinden op ‘Stranger to Stranger’, het geweldige album waarop oude rot Simon de jongere generatie rappers even laat horen hoe het ook kan, hoe het misschien wel beter kan. Een fascinerend album met geweldige teksten. Geweldige verhalen die meer dan eens zorgen voor een lach.

Ach ja, het verhalende aspect in de kunst van beide heren.
Als ik songs als ‘Michelle’ buiten beschouwing laat, song die niet zozeer verhalend zijn, als meer liefdesliedjes voor een fictief persoon, zou ‘Eleanor Rigby’ Pauls eerste verhalende song op een album genoemd kunnen worden. Het soort song dat uit zou monden in de songs die Lennon een paar jaar later ‘Paul’s granny music’ zou noemen.
‘Eleanor Rigby’ heeft iets van een verhaal uit de Russische Bibliotheek. Een Toergenjev achtig schitterend plaatje met fraaie, deels surrealistische beelden.
‘Lovely Rita’ op het volgende album zweeft een beetje tussen ‘Michelle’ en de door ‘Rigby’ in gang gezette stroom verhalende songs in. Het is min of meer een liefdeslied voor een verzonnen meisje, maar beschrijvingen als

‘Got the bill and Rita payed it,
took her home, I nearly made it,
sitting on a sofa with a sister or two’

katapulteren het de wereld van de verhalen in. Dat en het feit dat ze een parkeerwacht is.

‘The Fool on the Hill’, ontstaan vanuit een toevallige ontmoeting met een oude man tijdens een wandeling, is een verhalend lied geworden. De ontmoeting zorgt voor de inspiratie, het verhaal is van een ‘Eleanor Rigby’ achtige schoonheid. Zij het minder gelaagd door het ontbreken van een tweede protagonist. Deze beelden halen het niveau van ‘Rigby’ niet, maar toch, de rust en in zekere zin triestheid die het geschetste beeld doordringen zijn schitterend.
Bij dit lied heb ik me altijd afgevraagd of het klungelige blokfluitspel voortkomt uit het niet voldoende beheersen van het instrument, of juist een bewuste keus is passend bij de schildering van de oude man daar eenzaam op zijn berg. Ik denk dat McCartney’s beheersing van het instrument te wensen over liet, maar op de één of andere manier is het klungelige erg passend.

‘The White Album’ is met drie een verhaal vertellende songs van McCartney erg goed bedeeld. Met ‘Obladi Oblada’, ‘Rocky Raccoon’ en het vaudeville-achtige ‘Honey Pie’ zijn drie van de vier kanten voorzien van een verhaaltje en is er dus op elk iets te vinden dat Lennon zal hebben ervaren als ‘Paul’s granny music’.

Wat de albums betreft eindigt de lijst songs rond een verzonnen verhaal met de knal van een zilveren hamer. De song die alles in zich had om de ergernis van Lennon op te wekken. Het lied dat, doordat Paul maar door bleef gaan tijdens de opname ervan om het te perfectioneren, Harrison’s en zelfs Starr’s humeur verpestte. ‘Maxwell’s Silver Hammer’. Een zwart verhaaltje met een duister soort humor. Maar vooral ook een song die muzikaaltechnisch gezien veel beter in elkaar zit dan de tekst en de reacties op tekst en muziek doen vermoeden. De woorden verbergen een fraai arrangement met o.a. subtiele wisselingen in de gitaarklank die de verzen en het refrein verbindt en een mooie harmonisatie gebruikmakend van reeksen kwinten passend bij de archaïsche stijl. Dit is typisch McCartney. Het klinkt allemaal irritant makkelijk en lijkt daardoor oppervlakkig, maar onder deze laag toegankelijkheid verbergt ‘Maxwell’ muzikaal meesterschap.

‘Lady Madonna’ is met z’n in flitsen weergegeven scènes uit het dagelijks leven zeker een verhalende song te noemen. Die aan de dagen van de week gekoppelde weergave in losse scènes is geweldig. Het heeft iets filmisch en dan meer specifiek iets van de oudere films waarbij het na een scène telkens weer richting een min of meer centraal punt op het doek donker wordt waarna, voor de volgende scène, het licht uit het verdwijnpunt van even daarvoor weer naar de randen van het beeld kruipt.

Dit pretendeert geen volledige lijst van verhalende McCartney-songs te zijn. Ik wil met voorbeelden een aspect belichten binnen Paul’s werk dat misschien nog wel eens onderschat wordt. De man die over het algemeen niet gezien wordt als een geweldig tekstschrijver, heeft wel degelijk tekstuele hoogstandjes afgeleverd.

De teksten van Paul Simon hebben vaak iets absurds. Of er is juist sprake van het tegenovergestelde; in een tekst die van onzinnigheden aan elkaar hangt volgen zonder waarschuwing vooraf zinnen die een diepere betekenis hebben. Vaak ook snijdt Simon maatschappijkritische zaken aan in een paar zinnen waar je makkelijk overheen zou kunnen lezen. Zinnen die met weinig woorden een diepere waarheid bloot leggen.

Een voorbeeld van het eerste soort absurdistische teksten is te vinden op ‘Still Crazy after all these Years’ in de song ‘You’re Kind’. Een lofzang, een lied vol dankbaarheid, respect en liefde naar de partner, tot het eind alles onderuit haalt. De tekst zoals deze tot dat moment geklonken heeft blijkt niets anders dan een poging de door de verteller geplande scheiding te verpakken in lieve woorden.
De reden van de scheiding? Zij slaapt het liefst met het slaapkamerraam gesloten terwijl hij het liever open heeft. Dat gecombineerd met het schitterende arrangement met een hoofdrol voor gedempte koperblazers maakt het echt geniaal.

De song ‘Day Tripper’ is een klassieker uit de midden periode van The Beatles. Een kundig in elkaar gedraaide popsong met een aantal elementen die de aandacht vasthouden. Elementen als de dwingend aanwezige bas, het op een boogie-patroontje gebaseerde rifje, de herstart in het midden, de koortjes, die maken dat de song blijft hangen. Ik kan me voorstellen dat dit in een tijd dat popmuziek nog behoorlijk onschuldig was, bij een eerste keer beluisteren voor een schok gezorgd heeft. Als ook nog waar is dat op de plek van het woord dat klinkt als ‘big’ (voorafgaand aan teaser) in werkelijkheid een ander woord gezongen wordt, een woord met een sexuele lading passend bij een meer erotische interpretatie van ‘she took me half the way there’, is deze loveble moptop-song, zeker gemeten naar de maatstaven van die tijd erg ontdeugend. Een beetje plat ook, maar tegen het decor van die tijd maakt het dat alleen maar mooier.

Hierbij vergeleken is een song als ‘You’re kind’ van Simon tuttiger, zowel wat betreft de muziek, als de tekst. Maar die slotzinnen met hun plotselinge ommekeer in beleving, zijn geniaal. Zwevend tussen vilein en onbedaarlijk grappig. Misschien is er zelfs sprake van een diepere betekenis: onbeduidende dingen zorgen er soms voor dat we iets moois afdanken.

Het is maar een interpretatie, op niets gebaseerd, maar is dat nu juist niet wat een tekst bovengemiddeld goed maakt? Een goede tekst geeft je de ruimte om er telkens weer andere werelden in te ontdekken. Werelden die je vaak niet eens begrijpt, niet wilt begrijpen ook.
Een beetje zoals het overbekende verhaal van ‘Hey Jude’ waar Paul op het moment dat hij de song aan John laat horen zegt dat hij de regel ‘The movement you need is on your shoulder’ nog gaat aanpassen, waarop Lennon zegt dat hij dat niet moet doen omdat hij precies begrijpt wat Paul ermee bedoelt.

Een voorbeeld van woorden met een serieuze strekking in een maatschappijkritisch lied is te vinden in ‘Questions for the Angels’ van Simon. Een schrijnend verhaal waarbij de passage waarin Jay-Z genoemd wordt een aanklacht lijkt tegen onze keuzes die enkel een basis vinden in economische belangen.
De passage die er wat mij betreft uitspringt is de volgende:

‘If every human on the planet and all the buildings on it should disappear,
Would a zebra grazing in the African Savanna care enough to shed one zebra tear?’

Hierin verwoordt Paul Simon in een heel eenvoudige beeldspraak iets heel essentiëels: ondanks alle belangrijkheid die we onszelf toedichten, doen we er niet toe. En mochten we ooit als soort verdwijnen, wat met het oog op de milieu gerelateerde problemen die we veroorzaakt hebben, zeker niet ondenkbaar is, de planten en de dieren zullen niet alleen niet merken dat we er niet meer zijn, deze door ons in vergelijking tot ons als minder geziene levensvormen maken meer kans op overleven dan wij mochten stormen, perioden van droogte of juist van overvloedige regenval ons ooit parten gaan spelen op een manier die we niet meer aan kunnen.

Je bent ook een grootheid als je een negatief en door een bepaalde (muziek)cultuur veel gebruikt woord als ‘Motherfucker’ op een positieve manier in een parodiërende tekst kunt verwerken.
Dat doet Simon op ‘Stranger to Stranger’ in ‘Cool Papa Bell’:

Motherfucker, ugly word
Ubiquitous and often heard
As a substitute for someone’s Christian name
And I think, yeah
The word is ugly all the same.

Bob Dylan mag dan gelden als de grootste woordkunstenaar in de popmuziek met Neil Young en John Lennon op z’n hielen, ik denk dat Paul Simon in dit rijtje niet ontbreken mag. De vroege teksten van Dylan die allemaal vanuit een soort stream of consciousness idee ontstaan zijn, zijn veelal absurdistisch. De subtiele humor, maar misschien meer nog het verwoorden van diepere betekenislagen zoals Paul Simon dat doet lijkt me heel veel moeilijker te realiseren. Ik vind het in ieder geval fijn als het ergens over gaat en ik het kan volgen met net genoeg ruimte om er mijn eigen verbeelding op los te kunnen laten. De keren dat ik het niet begrijp, dat ik het niet kan volgen omdat het nergens over gaat, vind ik het belangrijk dat er tenminste een gave ritmiek in de aaneenschakeling van woorden zit zoals in ‘I am the Walrus’.
De bonte verzameling rare typetjes die de wereld van Dylan bewoont op b.v. ‘Highway 61 revisited’ boeit me minder. Zeker ook omdat de begeleidende muziek niet heel erg interessant is.

Ik denk dat Paul McCartney een iets groter kleurenpalet tot zijn beschikking heeft in vergelijking tot Paul Simon als het gaat om de kunst van het harmoniseren en het creëren van melodieën, maar ik moet toegeven dat ik partijdig ben. Paul Simon heeft, rond de tijd van ‘Still Crazy after all those Years’ les gehad in componeren. Naast de selfmade McCartney maakt hem dat misschien juist wel tot een veelzijdiger, veelkleuriger musicus. Ach, wat doet het er toe. Muziek beoefening kent geen wedstrijdelement en beide heren vonden in Leonard Bernstein een bewonderaar. Wat kun je daar nog aan toevoegen?

Voor mij staat echter als een paal boven water dat de humor in veel van de verhalen van Simon zijn vertelkunst onvergelijkelijk veel grappiger maakt dan die van de ex-Beatle. McCartney voegt weer een meer surrealistisch aspect aan sommige songs toe dat geweldig is. Paul Simon plaatst zinnen in het geheel die totaal onverwacht tussen een boel flauwekul zomaar iets heel diepzinnigs neerzetten.

McCartney’s ‘Maxwell’s Silver Hammer’ heeft naast de vele grote muzikale kwaliteiten een grappige tekst. Een tekst die als geheel een luguber maar tegelijkertijd humoristisch beeld schetst. Een beeld dat voor een glimlach zorgt. Op een dieper niveau staat de tekst volgens Paul voor het noodlot dat toeslaat juist op momenten dat alles goed lijkt te gaan, zoals The Beatles in 1969 moesten ervaren.

De ene Paul, ‘mijn’ Paul wordt over het algemeen niet in de eerste plaats als geweldig tekstschrijver gezien. Maar met regelmaat bewijst hij dat hij wel degelijk een geweldig verhalenverteller is. De andere Paul is zonder enige twijfel een poëet. Zijn prachtige melodieën mogen sublieme teksten gezelschap houden.
McCartney wordt nogal eens afgerekend op de diepe tekstuele dalen (de ‘dustbin lid’ zinnen op ‘Pipes’ b.v. zijn een eigen leven gaan leiden), maar al had hij enkel de tekst van ‘Rigby’ en ‘Madonna’ als prachtige verhalende teksten geschreven, het zou genoeg moeten zijn voor een meer positieve houding ten opzichte van zijn teksten.
Gelukkig zijn dit niet de enige noemenswaardige teksten van zijn hand.
Uiteindelijk vind ik het totaalplaatje bij McCartney toch nog net even boeiender dan de som van de delen van de Paul die ooit bij Art hoorde.
Laat ik Paul Simon het laatste woord maar geven: ‘One man’s ceiling is another man’s floor.’
Met andere woorden en een beetje vrij geïnterpreteerd: het hangt af van de manier waarnaar je er naar kijkt. Uiteindelijk zijn het gewoon twee giganten.

Atmos

Atmos

Voor mijn generatie is het beluisteren van muziek altijd een hobby met een fysieke component geweest. Wilde je een album beluisteren, dan moest je het kopen of lenen. Je had iets in je handen. Iets dat een wezenlijk onderdeel van de beleving was.
De komst van de cd beroofde de beleving van een deel van zijn glans. Er was nog steeds dat fysieke aspect, maar hoesontwerpen werken toch minder goed op de (aanvankelijk lelijke) kleine plastic doosjes.

En nu wordt er vooral gestreamd. Ik heb daaraan moeten wennen. Ik miste de albumhoes in mijn handen, de informatie op achterkant en binnenhoes, het feit dat een gekochte lp ook echt van mij was.
Inmiddels, nu ik een klein jaar beschik over componenten in mijn installatie waarmee ik muziek in een met de geluidskwaliteit van mijn platenspelers vergelijkbare kwaliteit kan streamen, zie ik de voordelen. En hoewel ik elke keer als ik na een tijdje streamen weer een lp beluister denk dat dat toch wel mooier klinkt, ben ik het als een zeker iets toevoegende luisteroptie gaan zien.

Het is of wordt uiteindelijk denk ik de nieuwe manier van luisteren. Het formaat voor de toekomst. Gelukkig is er een grote, nog altijd groeiende groep jongeren die een platenspeler aanschaft en begint met het opbouwen van een vinylcollectie, maar met de dreigende verdwijning van de cd worden muziekcollecties meer en meer vervangen door online-bibliotheken.

Streamingservices, begonnen in het armzalige mp3 formaat, zijn inmiddels een serieuze speler in de audio-wereld geworden. Spotify kan het zich veroorloven om niet haantje de voorste te zijn bij alle ontwikkelingen, maar de meeste services bieden inmiddels minimaal cd kwaliteit. Je moet er natuurlijk wel iets voor doen. Zo is, rechtstreeks beluisterd via een telefoon, een externe dac noodzakelijk om de bestanden beter te laten klinken.
De ingebouwde dac voldoet niet. Dat is ook logisch want een telefoon is toch vooral een alleskunner waarbij muziek beluisteren slechts één van de mogelijkheden is. De kwaliteit van de dac is daarop afgestemd.

Met AirPods beluisterd is het via Tidal en Apple Music inmiddels mogelijk om veel muziek in een vorm van surround audio te beluisteren. Het in een eerdere column genoemde upgrade virus kent in mijn leven een vertakking die niet zozeer te maken heeft met het stapsgewijs verbeteren van de audio-installatie componenten, als met nieuwsgierigheid naar nog buiten mijn bereik liggende luisteropties.

Ik ben zo extreem besmet met dit virus en dan met name de ultra besmettelijke Beatlesvariant, dat het voor mij een bron van onrust is om een deluxe boxset van b.v. The White Album te hebben liggen met daarin een schijfje met 5.1 mixen zonder dat ik dat kan beluisteren. Ik moet en ik zal die mix horen.
Dus kwam er een 5.1 systeem in onze studio. De ervaring was om meerdere redenen verslavend.
Allereerst is het een nieuwe mix waardoor het oud vertrouwde weer fris klinkt en ik nieuwe lagen in de muziek mocht ontdekken.
Daarnaast is die ruimtelijkheid echt gaaf. Zittend tussen speakers en omgeven worden door de muziek is top. Het is zeker geen vervanging voor de vertrouwde manier van beluisteren in stereo of mono, maar een zeer welkome aanvulling.
Daar komt nog bij dat ik erg veel belang hecht aan respect t.o.v. het werk van artiesten, kunstenaars etc. Het is, vind ik, belangrijk dat de mensen die verantwoordelijk zijn voor een muzikale nalatenschap, daar goed mee omgaan. De erfenis moet veilig zijn.

Aan een remix kan altijd het gevaar kleven dat het een herinterpretatie wordt.
Bij surround-mixen bestaat dat gevaar niet. Er wordt nl. iets nieuws gecreëerd. Ik laat dan de quadrafonische mixen die een enkel album ooit gekregen heeft buiten beschouwing. Dat formaat heeft het nooit gered.
Om die reden kan ik ook genieten van ‘The Beatles Love’. Ik luister er niet vaak naar, maar als ik dit album beluister is er, naast de onrust die deze mix toch een beetje in zich draagt beluisterd zonder de begeleidende visuele aspecten, echt genoeg om enthousiast over te zijn. Ook dit is weer een verrijking die geen afbreuk doet aan wat er al is.

Helaas had ik mijn 5.1 systeem nog niet geïnstalleerd of er vond een verschuiving plaats naar Dolby Atmos. Atmos werkt anders dan 5.1 surround. Het maakt gebruik van reflectie via het plafond. De schoonheid van dit soort mixen kan niet voldoende weergeven worden middels vijf speakers en een subwoofer.
Toen niet veel later duidelijk werd dat de blu ray schijfjes in de jubileumedities van Beatles-albums tot het verleden behoren, werd het weer tijd voor mijn onrust om de kop weer op te steken.
Giles Martin gaf nl. als reactie op de protesten van fans over het ontbreken van de schijfjes met surround-mixen (‘Revolver’) aan dat hij: ‘would look into it.’
Dat klinkt toch als een dooddoener.

Bij Apple Music en Tidal zag ik onder het album artwork steeds vaker Dolby Atmos of een vergelijkbare aanduiding staan. Om deze mixen te kunnen beluisteren zou ik echter AirPods Pro moeten hebben.
Ik heb, voor mijn doen, best lang getwijfeld. Maar uiteindelijk zijn ze er toch gekomen. Vooral ook omdat Andrew van Parlogram Actions er lovend over was. En als hij het goedkeurt ben ik verkocht.
Ik heb die dingen gekocht ondanks een paar stevige vraagtekens.
Zo werken ze via Bluetooth en dat is zo ongeveer de minst wenselijke manier om muziek te streamen. Teveel geluid voor te weinig ruimte.

Maar uiteindelijk viel het erg mee. Het is geen partij voor Hifi hoofdtelefoons en hoe surround de ervaring is, is een vraag waarop, afhankelijk van het album, meerdere antwoorden mogelijk zijn. De ervaring is minder ruimtelijk dan via mijn dolby 5.1 systeem. Het komt qua ruimtelijkheid het dichtst bij het klankbeeld van een kwalitatief redelijke (open) hoofdtelefoon.
Of zoals Dweezil Zappa (idd zoon van) het zegt in een interview n.a.v. zijn Atmos mix gemaakt voor de meest recente jubileumuitgave van Deep Purple’s ‘Machine Head’: ‘Veel mensen luisteren nu via de hoofdtelefoon naar die mix, wat eigenlijk een stereo-plus versie is. Eigenlijk moet je het via meerdere luidsprekers doen….’

Om even bij de meeste recente heruitgave van ‘Machine Head’ te blijven. Dweezil veroorlooft zich (net als Giles Martin die in het interview nog genoemd wordt) een behoorlijk aantal vrijheden. Alle keuzes maakt hij als fan van dit album. Hij wil dingen meer in het zonnetje zetten. Uiteindelijk ontstond er zo een herinterpretatie van het album, waarbij de ontwijkende reacties van de bandleden doen vermoeden dat het niet helemaal hun keuze is geweest om het zo ver door te voeren. Dweezil zelf ziet het als een nieuwe versie van het album die bestaansrecht heeft naast de oorspronkelijke versie. De rechtvaardiging: ‘omdat het nu kan’ klinkt een enkele keer.
Het is blijkbaar ook een generatie dingetje. De mensen van het eerste uur lijken er minder mee te hebben, de jongere generatie ervaart de nieuwe wereld, ontsloten door de digitale opties die er nu zijn, als een meerwaarde. Meer keuzes, meer meningen, meer verantwoording voor wat toch cultureel erfgoed is.

Maar goed, terug naar the Fab Four en de Atmos mixen.
De ruimtelijkheid van albums als ‘Let it Be’ die ik al in hun 5.1 mix kende ervoer ik als erg prettig maar zelfs bij benadering niet zo goed als over de vijf speakers en een sub.
‘Abbey Road’ heeft daarbij nog het grote nadeel dat de Atmos mix, anders dan de stereo-mix, zowel bij Apple Music als Tidal niet zonder onderbrekingen over gaat van song naar song. Dat maakt kant twee onluisterbaar.

De aanschaf van de AirPods betaalde zich echter meer dan terug toen ik het album ‘McCartney’ in zijn Atmos incarnatie beluisterde. Wat werkt dat goed voor dit intieme album. Je wordt als luisteraar omgeven door klanken en voelt je daardoor een bezoeker aan Cavendish Avenue NW8.

‘Band on the Run’ bleek in surround ook een sublieme aanvulling op de reeds gekende luisterervaring. De saxofoon-solo van Bluebird klinkt warmer en meer aanwezig. Helaas verliezen de koortjes in deze song iets van hun schoonheid in vergelijking tot de vinylversie, waarschijnlijk omdat de ruimte die de sax inneemt ergens vandaan moet komen. Het eeuwige plussen en minnen verhaal van gemaakte keuzes. Maar het is te gek om te kunnen afwisselen tussen de verschillende manieren waarop je dit album kunt beluisteren.
Het slaggitaartje van ‘Jet’ mag ook niet onvermeld blijven en bij ‘Mrs Vanderbilt’ lijkt Paul’s ’No Use’ response op zijn eigen vraag naar zingeving wel van heel ver weg te komen. Erg leuk.

Lennon’s albums ‘Mind Games’ en ‘’Wals and Bridges’ klinken op vinyl en cd, gebukt gaand onder hun oorspronkelijke productie, nogal geklusterd. Het is allemaal erg massief. Nu komen er gelukkig steeds meer remixen van de hand van Sean. Over een paar maanden verschijnt ‘Mind Games’ in een nieuwe mix. Voor wie niet wachten kan is er al het voorproefje zoals dat te vinden is op ‘Gimme Some Truth’. Schitterende mixen die de muziek veel meer recht doen.
Ook de Atmos mixen zijn geweldig. Een song als ‘Whatever Gets You Thru The Night’ die ondanks de tomeloze energie van muziek en musicerenden altijd geremd werd door de logheid van de productie, swingt in de Atmos mix en de stereo mix van Sean de pan uit.

Ik heb een beetje een dubbel gevoel bij de 2023 remixes van de rode en blauwe collectie. Veel is mooi, maar er zijn ook twijfelachtige keuzes. Laat ik me na eerdere columns gewijd aan The Beatles 1962-1966 en The Beatles 1967-1970 beperken tot één song: ‘I am the Walrus’.
Ik denk dat we het erover eens kunnen zijn dat de keuzes die Giles Martin gemaakt heeft met name in ‘Walrus’ op z’n zachtst gezegd niet onomstreden zijn.
De stereo-mix, los van de vraag of een relatieve buitenstaander dingen zo extreem mag veranderen, overtuigt veel mensen niet. Ik hoor bij die groep. Maar luisterend naar deze track in de Dolby Atmos mix via de AirPods wordt het een ander verhaal. De mix lijkt wel gemaakt met het oog op deze Atmos variant. Het klinkt logisch en boeiend. Het feit dat hier een heel nieuw klankspectrum gecreëerd is in een formaat dat in 1967 niet bestond, maakt de ‘mag dit?’ vraag overbodig.

Het grappige is dat ik een soortgelijk gevoel heb bij de bonustrack van ‘New’ genaamd ‘Struggle’. Nee, er is (voor zover ik weet) geen surround mix van deze song. Maar qua productie lijkt ze gemaakt voor beluisteren m.b.v. AirPods. Daarmee beluisterd klinkt de song veel intenser dan beluisterd via mijn Hifi installatie.
Voor het wat klassieker klinkende ‘Demon Dance’ geldt dan weer het tegenovergestelde. Deze track leeft veel meer via de installatie beluisterd en is wat vlak via de Pods.

Voor het overgrote deel van de muziek waar ik naar luister zal, het Atmos aspect buiten beschouwing latend, gelden dat de installatie het wint van de AirPods. Maar er is ook een klein aantal songs dat gemaakt lijkt met het oog op een nieuwe manieren van beluisteren.

Een mooie bonus van deze AirPods: ze zijn zeker geschikt om mono-opnames te beluisteren. Mono is als formaat totaal ongeschikt om te beluisteren via een gewone hoofdtelefoon. Maar deze ruimtelijk klinkende dopjes doen mono absoluut recht. Over speakers is mooier, maar het is een zeer goed alternatief als je je huisgenoot niet lastig wilt vallen met je hobby.
Ook een aanrader: verbinden met je tv en een concertregistratie van McCartney kijken. Klank en ruimtelijkheid zijn mooi. Weer niet zo gaaf als een setup met meerdere speakers, maar een erg goed alternatief.

Na een paar weken redelijk intensief gebruik ben ik nog steeds enthousiast over deze in ears, maar inmiddels heb ik wel een kleine kanttekening. Alle lof die de kleine dingen toegezwaaid wordt moet wel in het juiste perspectief gezien worden. Bluetooth is de grote spoiler. Een High Res streaming service als Tidal geeft tijdens het beluisteren aan dat de aangegeven audio-kwaliteit niet beschikbaar is via BlueTooth. De gele High of Max aanduiding vervaagt.
Qua klank valt dit ook op, zeker vanaf het moment dat het aanvankelijk enthousiasme voor de Atmos illusie plaats maakt voor gewenning. Het is allemaal, voorbij luisterend aan de gesuggereerde ruimtelijkheid, wat vlakker, kaler dan via een HiFi hoofdtelefoon.
Het irriteert absoluut niet, maar het is ook zeker geen onopvallend verschil.

Alles tegen elkaar wegstrepend hebben die AirPods maar één echt nadeel. Naast de vele opties die ik al had om naar muziek te luisteren, heb ik er nu nóg één bij. En ik kom al zoveel tijd tekort.

Energie

energie

Hij loopt na de les de studio uit. Ik volg op een paar passen om de volgende leerling op te halen. Bij zijn fiets gekomen draait hij zich, terwijl hij zijn broekzakken afzoekt naar het sleuteltje van de fiets, naar mij om.
‘Wat vind je eigenlijk van het nieuwe album van de Stones? Of nieuw…het is inmiddels natuurlijk al weer zo’n vier maand oud.’
 
Hij is onlangs achttien geworden en heeft sinds een jaar of drie pianoles van mij. We delen een passie voor The Beatles, die tijdens de lessen dan ook regelmatig ter sprake komen. Een oeuvre waaruit ik graag put als ik voorbeelden nodig heb om mijn uitleg te illustreren.
Sinds het heen en weer volgend op zijn vraag weet ik dat wij ook hetzelfde denken over The Rolling Stones.
 
Muziek emotioneert. Muziek genereert energie. Als ik na een dag werken ‘s avonds uitgeblust op de bank plof, werkt niets zo goed als luisteren naar muziek om weer fit te worden.
Het valt niet te ontkennen dat The Rolling Stones een energieke band is. Hoe tachtiger Jagger het voor elkaar krijgt om nog zo te keer te gaan op een podium is verbazingwekkend. Ook de albums van de band lopen over van energie.
Ik weet niet of ik mezelf fan mag noemen van deze band, maar elk album staat hier minstens één keer in de kast, dus ik vind het zeer zeker aansprekende muziek.
Naast albums uit de periode die door iedereen wordt gezien als hun beste periode, de jaren beginnend met ‘Beggars’ en eindigend met ‘Exile’, heb ik een zwak voor een behoorlijk aantal albums en één daarvan is ‘Black and Blue’. Mooie songs, fijn dat Preston zo aanwezig is op dit album en een hoes waar veel jeugdherinneringen aan kleven omdat een vriend van de middelbare school dit album had. Zonder het ooit bij hem te hebben beluisterd, zorgt het feit dat het album daar rondslingerde en ik het dus vaak zag liggen, ervoor dat deze hoesfoto nostalgisch maakt.
 
‘Black and Blue’ is een album dat de verschillen tussen Beatles en Stones goed illustreert. ‘Black and Blue’ is in veel opzichten een fascinerend album. Het is energiek, loopt over van de boeiende rifjes en motieven, het swingt en hier en daar raakt het aan zachtere kanten van het muzikale kleurenpalet. Maar zoals dat wel vaker gaat bij de muziek van The Rolling Stones, heb ik niet altijd zin in dit album. Lang niet altijd. Alles wat het nl. tot een boeiende songcollectie maakt wordt onderuitgehaald doordat elke track gewoon te lang is. Het feit dat deze band na ‘Exile’ ook nog eens in een soort huisstijl is gaan musiceren, maakt het nog iets minder boeiend. Er kleeft een ‘daar gaan we weer’ gevoel aan het latere Stones werk.
Dus op gezette tijden vindt ik het te gek, maar op andere momenten beleef ik niet genoeg luisterplezier aan de manier waarop de heren energie genereren.
 
‘Wat vind je eigenlijk van het nieuwe album van The Stones?’ 
Het hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Deze mannen weten hoe ze een perfect album af moeten leveren. Maar dit is natuurlijk wel weer een typisch Stones album. Energiek in het kwadraat, pakkende songs, assertieve teksten. Ook ‘the ancient art of weaving’, het vlechtwerk dat de gitaren van Ron en Keith nu al decennia creëren ontbreekt niet. 
De avond voorafgaand aan de dag dat mijn leerling vroeg wat ik ervan vond had ik ‘Hackney Diamonds’ toevallig weer eens uit de kast getrokken, om na het beluisteren van kant A over te gaan op een album van een andere artiest.
Ik geloofde het die avond wel. De opbouw van veel songs met de later inzettende bas die begint met een opmaat-loopje naar een volgende eerste tel. De ritmes in de gitaren. De kortademige, qua omvang erg beperkte zanglijnen van Mick. Weten dat er op kant twee weer eens de door hemzelf gezongen obligate Keith Richards song gaat volgen. Richards die nu al meer dan dertig jaar telkens weer dezelfde song schrijft voor dit onvermijdelijke moment op elk album……
Het komt er denk ik op neer dat los van de andere albums van de band beoordeeld, dit laatste album een meer dan prima album is. Maar in het gehele oeuvre is het vooral een betere versie van wat vooraf ging. Dat maakt dat ik er soms heel erg van kan genieten, maar vaak heb ik er geen zin in, of heb ik na één kant wel weer genoeg gehoord.
 
Hoe ik een album ervaar is mede afhankelijk van het totale scheppen van een artiest of band. Neem iemand als Neil Young. Zijn songs bewegen tussen extreme (edel)kitsch en ruige rock, tussen ballads en experimentele muziek. Dat maakt de ‘foute’ songs, de songs op of over de grens van kitsch in zijn canon meer acceptabel. Ik kan ze meer waarderen omdat hij ook die andere kant heeft, die ‘jullie kunnen me allemaal wat, ik doe lekker wat ik zelf wil’ kant.
 
Of Billy Joël. Hem wordt vaak verweten dat het allemaal net iets te makkelijk is. Een verwijt dat ook wel eens richting McCartney klinkt. Zoals Howard Sounes het benoemt in zijn McCartney-biografie ‘Fab’; die ontbrekende laatste vijftien procent gedane moeite.
Misschien zit er iets in, misschien niet. Maar als ik af en toe een album van Billy Joël beluister hoor ik veel verrassende aspecten in de arrangementen, zelfs binnen een song. Ik hoor een bepaalde song-structuur maar mocht ik al eens denken dat ik weet hoe het verder gaat, introduceert hij opeens een nieuwe bouwsteen. Een nieuwe harmonisatie en melodie, een ander element in het arrangement enzv.
Wat niet wil zeggen dat dit muziek is waar ik net zo vaak naar luister als naar de muziek van The Beatles. Nee, dat nu ook weer niet. Maar als ik aan een album van de man begin beluister ik het tot het eind zonder neiging de naald van de schijf te halen.
Een stijl als handelsmerk heeft zeker z’n charme, maar het kan ook tegen de artiest werken. Neem The Who. Op twee albums na staat alles van hen hier tussen de lp’s. Ze hebben dus zeker mijn positieve aandacht. Maar waar ik deze albums meestal kan waarderen, zijn er ook aspecten die door de herhaling op zo ongeveer elk album bij momenten voor irritatie zorgen.
Dat Roger Daltrey vaak zingt alsof hij de broer van hurricane Katrina is, is niet altijd mijn ding. ‘Behind Blue Eyes’ biedt dan niet genoeg compensatie.
Keith Moon laat geen kans onbenut om de kostprijs van zijn drumstel in no time terug te verdienen. Hij moet en zal elke keer weer alles raken. Vaak geweldig, maar ook met regelmaat voorspelbaar. De break op zich mag dan fenomenaal zijn, maar de onvermijdelijkheid ervan is niet je dat. 
 
De muziek van The Beatles is veelkleuriger. Zij zijn zo goed als nooit in herhalingen vervallen. The Fab Four genereren ook energie. Energie die voor sommige mensen misschien moeilijker te herkennen is. Een leerling van mij, een man van midden zestig, dacht dat de muziek van The Stones compositorisch veel complexer zou zijn dan de muziek van The Beatles. 
Het vuurwerk van The Stones won het in zijn beleving van de subtielere muziek van John, Paul en George. Dat mag natuurlijk. Over smaak valt niet te twisten. Maar denken dat de muziek van Jagger-Richards muzikaal technisch gezien interessanter zou zijn dan die van Lennon, McCartney en Harrison is een misvatting. Ik doel hierbij niet op wat muziek in iemand teweeg brengt. Dan kan Stones muziek complexere gevolgen hebben dan de muziek van The Beatles. Nee, ik heb het over het vakmatig aspect. Puur muzikaal technisch is de muziek van The Beatles van een andere orde. Maar ja, dat is deze muziek in vergelijking tot de muziek van zo ongeveer elke andere artiest of band. Er zijn niet voor niets meerdere lijvige boeken geschreven over de harmonische- en melodische bouwstenen van deze muziek.
 
Natuurlijk en gelukkig hebben The Beatles  veel songs gemaakt waar de energie vanaf spat. Maar daarnaast is er ook de energie die verborgen gaat onder rust, ogenschijnlijke eenvoud en gemak. Deze muziek is vaak zo logisch geconstrueerd dat de intelligentie achter de harmonische- en melodische bouwwerken de luisteraar makkelijk kan ontgaan.
 
‘You never give me your money’ b.v. verbergt onder een ogenschijnlijk eenvoudig begin een prachtige akkoorden reeks. Een reeks met elkaar voorbonden door de gedeelde afstand van een kwint. Hierdoor glijdt elk akkoord moeiteloos het volgende akkoord binnen. Dat Paul, om niet eindeloos door te gaan in deze beweging die hem te ver van huis zou brengen, na een aantal maten een prachtig Fmaj7 akkoord laat volgen door een b halfverminderd septiemakkoord, dat als hij de reeks consequent had voortgezet een Bes akkoord zou zijn geweest, zonder dat dit als een wrat op een verder glad oppervlak wordt ervaren, getuigt van meesterschap. 
De altijd wat moeilijke tritonussprong van de baslijn (f naar b) voelt niet minder warm dan de sprongen die eraan vooraf zijn gegaan. Dit b halfverminderd septiemakkoord opent de weg (als tweede trap) terug naar het vertrekpunt. Het a mineur van het begin. En laat ik maar niet beginnen over de modulatie die de tweede en de derde sectie met elkaar verbindt. Dit soort dingen vind je nergens in de muziek van de Stones. Maar dat is ook niet waar hun kracht ligt.
 
Misschien is dat wel wat de muziek van The Beatles meer iets voor bijna elke dag van mijn leven maakt en de muziek van The Stones iets dat geschikt is voor sommige momenten. De gelaagdheid in de muziek van The Beatles houdt het boeiend. Ik kan ernaar luisteren zonder me bezig te houden met de meer verborgen muzikale vormen en bouwstenen. Maar als ik wil kan ik ook muzikaal-theoretisch aan mijn trekken komen.
Eigenlijk zijn die twee aspecten van muziekbeleving natuurlijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik benoem ze gescheiden van elkaar ter illustratie.
The Stones zijn een energieke band. Hun handelsmerk is toch vooral die tomeloze energie.
Mijn vrouw kijkt nooit naar concertregistraties. Dat boeit haar niet.
De enkele keer dat ik naar een opname van een Stonesconcert kijk, kijkt ze graag mee omdat ze die shows geweldig vindt. Dat doen ze ook aanstekelijk goed en dat aspect van muziek maken doordrenkt tevens hun albums.
 
Maar ik heb niet elke dag zin in muziek die het van dat soort energie moet hebben. En op momenten dat ik dat niet zoek in muziek, blijft er  voor mij niet genoeg over en kom ik niet verder dan het eind van de eerste kant van het nieuwe album.
 
Bij The Beatles is het een ander verhaal. Zelfs als ik even geen zin heb in deze muziek (ja dat kan ook nog), is het ondenkbaar dat ik anders over hun muziek ga denken.
Ook gedurende de weken dat ik niet naar ze luister, dat ik helemaal op ga in de muziek van The Golden Earring, van Neil Young, of eender wie, weet ik nog dat ‘The White Album’ voor mij het mooiste popalbum is dat ooit gemaakt is. Het is een fotofinish maar dit album uit 1968 heeft in de snoepwinkel die Beatlesmuziek heet een minmaal streepje voor op ‘Abbey Road’, ‘Revolver’ en ‘Rubber Soul’.
Ik mag dan af en toe geen zin hebben in dit album, ik weet dat het in alle opzichten getuigt van muzikaal vakmanschap. Dat het overloopt van muzikale subtiliteit.
 
Dus wat vind ik van het nieuwe album van The Rolling Stones? 
Dat hangt af van de dag waarop je dat vraagt. 
Bij The Beatles zal het antwoord voor eender welk album op elk moment dat je me dat vraagt hetzelfde zijn: geweldig!
Zo en na al dat geschrijf over hen ga ik maar eens iets van The Stones beluisteren, of zal ik toch maar weer kiezen voor ……….

Goddelijke auto

Goddelijke
auto

Ik heb er wel een tijdje de pest in gehad. Meestal, als ik ergens mij onbekende foto’s van The Beatles of de individuele leden tegenkom, of bekende die ik nog niet in de cloud heb staan, sla ik ze onmiddelijk op. Weggooien kan immers altijd nog.
Helaas net die ene keer niet. En dat terwijl het een geniale foto is. Of eigenlijk was de foto tamelijk gewoontjes, maar de situatie was geweldig en ongelooflijk veelzeggend.

George Harrison staat op die foto naast zijn nieuwe auto. Het soort auto dat een Ferrari op een DAF laat lijken.
Modelletje het mag wat kosten. Een prachtige kleur blauw-zwart. Deuren die naar boven wegklappen wat de auto het aanzien van een roofvogel geeft. Een roofvogel op het punt zich op zijn prooi te laten vallen.

George lacht voluit. Het is niet duidelijk of hij lacht omdat hij zo gelukkig is met de nieuwe aanwinst, of omdat hij de humor van de situatie wel in kan zien.
Rond de auto staan nl. een paar mensen waarvan één een Hare Krishna aanhanger is. George showt zijn bolide.
Ik vind dat hilarisch. Een man in een gewaad dat er uitzien alsof het aan een derde en laatste leven begonnen is, een man met als meest kostbare bezit een mala, krijgt van George uitleg over een auto die nu niet bepaald getuigt van spiritualiteit.

De ex-Beatle, in zijn nieuwe leven naast musicus toch vooral tuinman en spiritueel zoeker, geeft toe aan een werelds genoegen van de buitencategorie. En niet alleen dat, maar één van de monniken die hem mocht begeleiden tijdens zijn zoektocht naar spirituele vervulling, naar het achterlaten van de wereldse waan, zag een medezoeker die niet alleen het spirituele even op de spaarbrander zet, nee, hij gaat zelfs helemaal los in materialisme.

Tegelijkertijd is er dat relativerende lachje. Die ‘ja jongens, ik weet dat dit helemaal fout is, maar laten we het niet te serieus nemen’ houding.
Dat maakt het voor mij tot een geweldig plaatje.
Om het nog absurder te maken had deze McLaren F1 een OHM teken op alle wielmoeren.
Dat dan weer wel.

Het is het constante gevecht geweest van George. Helemaal willen gaan voor een spiritueel leven en tegelijkertijd de genoegens van een meer materialistisch leven niet los kunnen laten.
Er was de rust van zijn landgoed. Het constante werken op dat landgoed aan en met alles wat daar groeide en bloeide. Er was het mediteren, er was een leven dat raakte aan een kluizenaars bestaan. Maar er waren ook de vele auto’s. Er was de interesse in vrouwen. Er waren, na zijn dood, de opmerkingen van Olivia waarin ze liet doorschemeren dat haar man ook na hun huwelijk nog een bovenmatig interesse in andere vrouwen had gehad.

En er was dat relativerende lachje. Neem b.v. het ‘Anthology’ project. Zittend aan een tafel is het vooral Paul die praat en op de hem kenmerkende manier met een soort 2.0 enthousiasme vertelt. Telkens is er weer dat lachje van George. Dat lachje waarbij zijn hoofd een beetje naar boven lijkt te bewegen, weg van de schouders. Een lachje dat zegt; dat kun je nu wel zo zeggen, maar de werkelijkheid was toch iets minder prozaïsch. Het waren The Beatles maar.

Hij was bepaald niet trots op het feit dat hij een ex-Beatle was. Sterker nog, hij wilde een eigen identiteit opbouwen, helemaal gescheiden van Beatle-George.
Een complexe man die een gecompliceerd leven geleefd heeft. Een leven dat hem en zijn drie vrienden al op zeer jonge leeftijd de beloning had gegeven voor het harde werken in o.a. Hamburg. Een beloning die steeds meer een straf, een gevangenis zou blijken te zijn. Dit had hij niet gewild, maar de rest van zijn leven zou hij ‘dit’ wel met zich mee moeten zeulen.

George heeft niet vaak getourd. De grootste tour bleek alles behalve een succes. Dat hij ook voor volle zalen deed wat voor hém belangrijk was en de wensen van zijn publiek negeerde hielp daarbij niet. Was hij zijn tijd ver vooruit of enkel eigenwijs? We zouden het nu wereldmuziek noemen. Een muzieksoort die inmiddels geen rechtvaardiging meer nodig heeft om gespeeld te worden, maar de concertbezoekers van het midden van de jaren 70 deelden de liefde van George voor de Indiase muziek niet. En deze fans wilden al helemaal niet dat Harrison teksten van zijn Beatlessongs veranderde.

De beelden van een latere tour met Eric Clapton door Japan laten een man zien die niet gemaakt lijkt voor het podium. Een tuinman die door omstandigheden op een verkeerde plek beland is.
Ik vind dat wel mooi. Zo de wereld aan je voeten hebben gekregen, zo extreem groot geweest zijn en dan uiteindelijk makkelijker bewegen tussen planten en bomen, dan tussen vakgenoten op een podium.

Het is in dat opzicht wel grappig dat zijn onbetwiste meesterwerk, zijn grootste solo-prestatie een super-de-luxe aankleding heeft gekregen in een prachtige box. Drie schijven vinyl, een poster, prachtige binnenhoezen en de mooi verzorgde oranje binnenkant van de doos zelf. Tegelijkertijd laat hij zich als een soort tuinman fotograferen voor de hoesfoto. Een foto zonder kleur met een man die je geld zou willen toeschuiven zodat hij zich eens wat fatsoenlijke kleding zou kunnen veroorloven. Neemt niet weg dat het een geweldige coverfoto is.
Dat dubbele, dat zweven tussen twee werelden is geweldig. Het is de belichaming van het relativerende lachje. Het is de subtiele humor van de man die naar zichzelf kan kijken en kan lachen om hoe men hem ziet. Hoe hij zichzelf ziet.

Maar het heeft ook iets triests. Misschien relativeerde hij enkel voor de buitenwereld en vond in zijn binnenste een permanent gevecht plaats tussen de George die van luxe hield en de George die het Hogere zocht. Een gevecht tussen de man die om wat voor reden dan ook  op gezette tijden als popmusicus naar buiten trad en de man die het liefst door zijn tuinen dwaalde.
De man die het leuk vond bezoekers in zijn tuinen te laten schrikken door gebruik te maken van verborgen gangen en paden, waarna hij volkomen onverwacht opdook voor de neus van de persoon die even daarvoor nog dacht dat ze elkaar kwijt geraakt waren.
Feit is wel dat de ‘stille Beatle’ helemaal niet zo stil was.
De stille Beatle was eigenlijk vooral de ‘verveelde Beatle’ die het opgegeven leek te hebben om voor zijn plekje naast de leiders van de groep te vechten.
Maar ja, de tuinman zou zonder The Beatles nooit Friar Park hebben kunnen kopen. Zelfs zijn uiteindelijke woonplek bleek een huis met een knipoog. Een landhuis met de allure van adelijke grootsheid, de herinnering van lang vervlogen tijden, gecombineerd met de sprookjesachtige humor van sir Frank Crisp van harte overgenomen en in stand gehouden door de beroemde nieuwe eigenaar. Wonen in een paleis dat bol staat van humor. Een woning die met de eigenaar mee lijkt te lachen: jongens laten we het allemaal niet te serieus nemen!
De man die geen fan was van Beatle-George kon misschien zelf wel lachen om het feit dat juist Beatle-George het mogelijk had gemaakt dat een ten diepste eenvoudige tuinman een McLaren F1 had kunnen kopen.

Vijftig jaar op de vlucht

Vijftig jaar op
de vlucht

‘Ik denk dat ik het bij één of twee keer beluisteren houd.’
‘Dit voegt echt niets toe.’
‘Weer een makkelijke manier voor McCartney om geld te verdienen aan een oud album.’
‘Wat is het nut hiervan?’
Reacties van fans op de ‘underdubbed’ schijf die als extraatje is toegevoegd aan de onlangs verschenen jubileumuitgave van ‘Band on the Run’.

Jeetje, vijftig jaar oud! Dit album dat, toen ik het voor het eerst zag staan in de bakken van de platenzaak waar ik veel te vinden was, de albums van The Beatles oud liet lijken. Albums die op dat moment vergeleken met ‘Band on the Run’ oud wáren. Dít was waar ex Beatle Paul zich nu mee bezig hield. Dit was zijn nieuwe geluid. Ooit, in een ander decennium was hij onderdeel geweest van misschien wel de grootste band aller tijden, nu was hij de leider van een op dat moment gedecimeerd, maar zo zou blijken, zeker niet vleugellam ‘Wings’.

Het exemplaar van dit album dat ik in die tijd aangeschaft heb zal dus ook zo’n vijftig jaar oud zijn. Je ziet het eraan af. Vale kleuren die meer naar bruin dan naar zwart neigen. Beschadigingen langs de randen en hier en daar heeft het laagje plastic dat de foto laat glanzen en moet beschermen een beetje losgelaten waardoor er druppels op de afbeelding lijken te liggen.
De meest recente heruitgave daarentegen ziet er geweldig uit. Beter waarschijnlijk dan mijn oude exemplaar er ooit uit heeft gezien. Niet gelamineerd, dus de druppelachtige plastic problemen van het oude exemplaar zullen deze versie nooit ontsieren. Een bruin zo donker dat het naar zwart neigt. Zwaar 180 grams vinyl. Halfspeed mastered. De nieuwste toevoeging aan de serie heruitgaven ter gelegenheid van een groeiend aantal albums dat het moment van het vijftigjarig jubileum passeert. Een serie die, mag je aannemen, zal blijven groeien. Dit in tegenstelling tot de ‘Archive Collection’ die tot stilstand lijkt te zijn gekomen.

Halfspeed mastering, een proces dat de hoge tonen op vinyl meer recht moet doen. Een proces dat, zoals dat altijd gaat, voor- en tegenstanders kent. Er wordt wel eens gezegd dat het mooiere hoog kan leiden tot een teveel aan hoog. Deze mastering keuze voor vinyl kan een bepaalde schelheid tot gevolg hebben. De winst, naast het helderder hoog, zit ook in een betere separatie van de verschillende elementen in een mix.
Over het algemeen klinken de albums in deze jubileumserie van McCartney geweldig. Met name ‘Wild Life’ en ‘Red Rose Speedway’ klinken waanzinnig. Laatstgenoemde album is zoveel beter gaan klinken dat het wel een ander, een nieuw album lijkt.

De halfspeed uitgave van ‘Band on the Run’ klinkt ook top. Maar het wow gevoel dat ‘Red Rose’ veroorzaakte ervaar ik hierbij niet. Misschien komt dat doordat mijn destijds aangeschafte exemplaar al geweldig klonk waardoor er minder winst te behalen was.

De nieuwe versie, verschenen op vrijdag twee februari, kent meerdere varianten. Naast de uitgave op één lp zijn er een twee cd-versie en een twee lp-versie.
De versie met één schijf heeft als grootste pluspunt de aanwezigheid van een obi-strip. Geen halszaak. Het album gaat er immers niet beter door klinken. Maar elk reeds verschenen album staat hier in de kast mét zo’n strip. Over een aantal jaren heb ik dus een rij kleurige ruggen van McCartney-albums in de kast staan onderbroken door de witte, bredere rug van de box met twee schijven van ‘Band on the Run’. Ja ja, ik weet het; dat is nog eens een probleem.

Voor de boxset pleit dan weer de aanwezigheid van een schijf met zeg maar werk in uitvoering versies. Het is typisch McCartney om deze songs zonder overdubs ‘underdubbed’ te noemen.

De opmerkingen aan het begin van deze column die verwijzen naar de schijf met de ‘underdubbed’versies deden het ergste vrezen. Ik had verdorie toch voor de eenzame schijf mét obi moeten gaan!

Zondag vier februari, twee dagen nadat ik de box had ontvangen, was ik eindelijk in de gelegenheid de kale mixen van de bonusschijf te beluisteren maar niet nadat ik eerst enkele professionele recensies had gelezen, die over het algemeen erg lovend waren. Pffff, gelukkig, misschien had ik toch de goede versie gekocht.

Ik had het kunnen weten. Ik ben een fan van dit soort releases. Het soort releases dat, nu veel klassieke albums de vijftigjaar-mijlpaal bereiken, steeds meer op de markt komt.
Ik ervaar dit soort uitgaves als een toelichting op de oorspronkelijke releases.
Soms zijn de verschillen in het geval van ‘Band on the Run’ niet al te groot maar over het algemeen zijn ze ongelooflijk boeiend.

Neem b.v. ‘Jet’. Niet alleen klinkt alles droger, veel is ook anders in de mix geplaatst. De koortjes klinken in de uiteindelijke versie centraal in de mix. Hier klinken ze meer links en gaapt er rechts daarvan een gat bedoeld voor de nog toe te voegen blazers. In afwezigheid van deze blazers torent de zang van de koortjes hoog boven de mix uit. De ontbrekende dynamiek, gevolg van de afwezigheid van de orkeststemmen wordt meer dan gecompenseerd door de prominente plaats die met name de drums innemen. Dit gedecimeerde groepje popmuzikanten genereert enorm veel energie. En de droge klank heeft ook zo z’n charme. Ook de gestopte gitaarklanken rechts aan de uiterste grens van het klankspectrum zijn geweldig als tegenover van de gitaar links.
Het is bovendien gaaf om McCartney op verschillende momenten solo’s te horen vocaliseren. Solo’s die in een later stadium door buitenstaanders gespeeld zullen worden. Het vocaliseren bewijst weer eens dat Paul veel dingen al in een vroeg stadium in z’n hoofd had.

‘Let me Roll it’ kent een aantal afwijkende keuzes t.a.v. de reverb en een gek soort delay. Daarnaast zijn er een aantal door een extra gitaar gespeelde ‘interrupties’. Al luisterend dacht ik; best jammer dat dit allemaal gesneuveld is bij het mixen van de albumversie. Een aantal dingen zou een verrijking kunnen zijn. Maar toen ik daarna het album weer beluisterde, hoorde ik dat de uiteindelijk gemaakte keuzes toch veel beter zijn.

‘Nineteen hundred and eighty five’ staat als tweede op de b-kant van de ‘underdubbed’ schijf. Hier is gekozen voor een backingtrack tussenstand. Niet bijster boeiend zo zonder zang. Tegen het eind wordt het nog wel leuk. De lijn die daar opduikt om gedurende de fade-out te soleren kent een m.b.t. de mix nogal rafelige entree. Ook daarna kent de inmiddels overbekende solo een paar schoonheidsfoutjes. Toch wel leuk, maar niet zo leuk dat ik niet kan wachten tot ik weer tijd heb om ernaar te luisteren.

Het meest interessant zijn de songs die, zoals ‘Jet’, compleet met leadvocal als uitgeklede, vroege versies te horen zijn.
Het nog ontbreken van dingen die later wel op het album te horen zullen zijn, vestigt de aandacht op dingen die op het album in de veelheid van klanken wat minder belicht zijn.
Een gitaartje hier, een e-piano akkoordje daar. Het lijkt af en toe alsof een volgspot een ander element in het licht zet. Hierdoor krijgt de focus bij het beluisteren van het echte album weer nieuwe energie.

En dat is misschien wel de grootste bonus van dit soort schijven; niet alleen de nieuwe hoes glimt het in vergelijking tot mijn oude exemplaar uit, nee ook de muziek straalt weer als nieuw in mijn beleving door de frisheid van deze ‘underdubbed’ versies die ook afstraalt op het oorspronkelijke album. Ik luister er weer naar met een enthousiasme dat herinnert aan de kennismaking lang, lang geleden.
Een kennismaking in een jaar dat ‘Nineteen hundred and eighty five’ nog in de toekomst lag.

Virus

Virus

Nee, je zit er niet op te wachten, zo’n virus. Je voelt je, zoals de Engelsen zo mooi zeggen, ‘under the weather’, met gedoe t.a.v. je (werk)verplichtingen die je tijdelijk niet na kunt komen als gevolg. Het is niets gedaan zo’n virus.

Toch heb ik al decennia een virus waar ik heel blij mee ben. Ik zou het voor geen goud willen missen. Het betreft het zgn. upgrade-virus.
Dit virus kan je zoveel kosten als je zelf wilt, maar zeker wanneer je een enorme vinyl-collectie hebt valt het met de kosten hoe dan ook relatief gezien nogal mee, ongeacht het bedrag dat je eraan uitgeeft.
Het geeft nl. elk album in de collectie bij elke opwaardering een nieuwe glans, een nieuw leven.
Je hoort nieuwe dingen. Je hoort oude dingen anders. Dus die meters en meters lp’s klinken opeens weer zo nieuw dat het uitbreiden van de collectie wel even een tandje minder kan. En dat werkt dan weer besparend. Nieuwsgierigheid naar de nieuw ontsloten klankwereld van oude albums wint het van nieuwsgierig zijn naar onbekende albums. Althans, zo werkt dat bij mij en zo rechtvaardig ik het toegeven aan mijn virus.
Ik kan het iedereen aanraden, deze ziekte.

Ik ben er ook vorig jaar weer meerdere keren het slachtoffer van geworden en vooral bij beter opgenomen en geperste albums (op vinyl) kan het verschil immens zijn. Helaas is er ook een kleine bijwerking: naarmate de apparatuur beter wordt vallen de kwalitatief mindere albums meer door de mand.
Maar goed, om optimaal te kunnen genieten van de betere geluidskwaliteit van de nieuwe audio-spullen trek ik af en toe een album uit de kast, niet in eerste instantie om de muziek, maar vanwege de klank.

Zo lag de afgelopen maanden ‘Driving Rain’ van McCartney regelmatig op de speler. En als ik zeg dat ik dit album niet vanwege de muziek uit de kast trek, wil dat niet zeggen dat ik de muziek maar zozo vind. Ik vind het een erg mooi, zwaar onderschat album. Het heeft een geweldige flow van song naar song, de klank van met name gitaren en bas is te gek en de combinatie van gitaren en toetsen heeft iets ouds. Het klinkt naar vervlogen tijden. Het is ook een erg muzikaal album. Paul zei daar ooit over dat hij bij dit album heeft gekozen voor ‘the old way we used to record with The Beatles around the time of the early albums.’ Dus geen huiswerk voor de bandleden. McCartney bracht de songs mee naar de studio waardoor alles nieuw en onbekend was voor de band, net als ten tijde van The Beatles. Pas in de studio, op de dag van de opname hoorde de band de muziek voor het eerst.

Het doet denken aan een verhaal in het boek van Geoff Emmerick. Het verhaal waarin hij beschrijft hoe John Lennon ‘Strawberry Fields Forever’ introduceert in de studio en de reactie van Paul: ‘This is fucking great’ of iets dergelijks. Ik weet dat je Emmerick met een korreltje zout moet nemen omdat zijn geheugen hem wat in de steek liet, maar dit verhaal is te mooi om niet voor waar aan te nemen. De verrassing in de studio van wat er die dag op het menu zou staan, op herhaling, niet van hetzelfde niveau maar toch, voor de sessies van ‘Driving Rain’.

Producer David Kahne wordt door Paul als modern en uiterst muzikaal beschreven.
Misschien/waarschijnlijk is deze man medeverantwoordelijk voor de gave muzikale flow van het album.

Het album zweeft wat de teksten betreft ergens tussen het gemis van Linda en de liefde voor nieuwe vriendin Heather. Doordat dit al vrij snel niet de gezonde relatie bleek te zijn die Paul er getuige delen van dit album op dat moment in zag en dat is erg voorzichtig uitgedrukt, hangt er een soort schaduwachtige erfenis over het album. McCartney zelf negeert het album vooral.

Het gemis van Linda klinkt al door in de openingstrack ‘Lonely Road’. De hartslag van de bas in de openingsmaten zorgt voor een opvallende introductie tot deze songcyclus. Doordat Pauls stem tijdens het opnemen van ‘Road’ nog niet helemaal hersteld was van stemproblemen de week ervoor, heeft de zang een mooi ruw randje, passend bij de tekst.

‘Driving Rain’ ademt in veel dingen de sfeer van McCartney’s Beatles-verleden. Een behoorlijk aantal songs staat dicht bij de ontspannen sfeer van de ‘lovable moptop’ periode. En in ‘She’s given up talking’ klinken de experimenten van ‘Revolver’ door. Een in meerdere opzichten opvallende track. Dit valt buiten het normale idioom van Paul en staat bol van verrassende klankkleuren etc. Een ijzersterke track wat mij betreft.

‘I Do’ recyclet een vocaal stijlmiddel dat The Beatles vooral in de eerste jaren met regelmaat toepasten. Paul zingt het begin in een laag register om vervolgens voor vers twee voor het hogere octaaf te kiezen. De (vroege) Beatles kozen hierbij vaak voor het falset. Denk b.v. aan ‘Tell Me Why’ op ‘AHDN’ rond minuut1.35. Paul bereidt de octaafsprong hoorbaar voor, wat zorgt voor meer dynamiek tijdens de overgang.

De teksten zijn niet overal even goed. De titelsong gaat wat dat betreft het meest gebukt onder banaliteit, maar muzikaal gezien is deze song enorm aansprekend.
Met enige regelmaat duiken op het album zinnen op waar werkelijk geen touw aan vast te knopen is. De banaliteit van de titelsong stoort me, de onzin-zinnen niet. Waarom zou John dat wel mogen en Paul niet?

Het basspel is zoals altijd weer geweldig. De klank is ook prachtig. Warm en vol.
Zoals eerder gezegd zwengelt de bas het album in gang. Dit doet Paul met een terts die in maat twee van de openingssong een kwart wordt door de eerste toon te laten zakken, waarna maat drie en vier dit herhalen. Een prachtige klank die, hoewel het motief niet spectaculair is, de aandacht vestigt op een erg belangrijk aspect van de musicus/instrumentalist McCartney.
‘From a Lover to a Friend’ heeft ook een gave baspartij/klank. Het uitklinken in een soort kerkklok- geluid weerspiegelt een beetje de klok die ‘John Lennon Plastic Ono Band’ wakker bengelde.
Een prachtige overgang naar de voIgende song en over het algemeen zijn de overgangen tussen de songs heel erg geslaagd.

Net als ‘Flaming Pie’ kent ook dit album een paar min of meer uitgewerkte jams. Eén daarvan is ‘Spinning on an Axis’. Dat zweeft ergens tussen uitgewerkte jam en onuitgewerkte song. Hoewel het geen onuitwisbare indruk nalaat, is het toch interessanter dan de jam ‘Really Love You’ op ‘Pie’.
‘Jaipur’ en ‘Raindrops’ zijn zeker geen uitgewerkte songs. De eerste is gelukkig niet te lang, de tweede vind ik wel interessant maar helaas echt te lang.
Ik moet hier misschien bekennen dat alle lof voor dit album betrekking heeft op de eerste drie kanten van de vinyluitgave. Kant vier laat ik meestal voor wat het is, waardoor het album voor mij eindigt met ‘Back in the Sunshine Again’. Geen slecht eind. En wat ‘Freedom’ betreft; hier gun ik me de vrijheid om het bij één keer beluisteren te houden. Dat is muzikaal gezien niet aan mij besteed met z’n mars-achtige dreun. Daar komt nog bij dat, hoe begrijpelijk ook na de gebeurtenissen die de reden voor het schrijven hiervan waren, ik allergisch ben voor dit soort teksten. Recht hebben op vrijheid, God erbij halen. De geschiedenis van God als rechtvaardiging/excuus voor wat dan ook is zelfs zonder deze deun al veel te lang.

‘Driving Rain’ werd door de critici over het algemeen goed (tot zeer goed) ontvangen, maar de fans lieten het album links liggen.
Ik durf het bijna niet te vertellen, maar ‘Driving Rain’ is één van de albums van McCartney die ik het meest en het liefst beluister. Ik ervaar het als een echt musiceer-album. Het heeft een ‘hier speelt echt een band’ aspect, ook weer herinnerend aan de pre ‘Rubber Soul’ Beatles, waar ik van houd. Ik vind ook een overgeproduceerd album als ‘Pepper’ te gek, maar dit ‘samen in een ruimte muziek maken’ gevoel……. Wow echt fantastisch.

‘Flowers in the Dirt’ mag dan meer een fan-favorite zijn, ik heb veel meer met ‘Driving Rain’. Het jaren ‘80 filter over ‘Flowers’ met als dieptepunt ‘Motor of Love’ maakt het tot een luisterervaring die soms heel erg bevredigend is, maar soms kom ik er gewoon niet door. ‘Driving Rain’ is qua klank tijdlozer en daarmee toegankelijker. Echt een top album. Misschien niet McCartney’s beste album, maar het verdient veel meer aandacht dan het krijgt.
Het is te begrijpen dat Paul het vergeet, gezien de positieve aandacht voor Heather op het album, maar dat de fans het vergeten? Ik begrijp dat eerlijk gezegd niet.
En, om nog even terug te komen op mijn upgrade-virus: wil je demonstreren hoe goed je installatie kan klinken: dit is een aanrader, zeker op vinyl.

(Be)grip

(Be)grip

Hij leek een beetje de jongere broer van kabouter Plop. Warrige grijze manen rond een kalende schedel gecombineerd met een wilde baard.
Hij gaf het vak muziekpedagogiek. Een ongelooflijk intelligente man. Een lieve, vriendelijke man ook, met wie je goed kon praten. Alleen dat vak van hem…..

Ik heb me vaak afgevraagd of ik er iets geleerd heb, of ik dingen anders ben gaan doen door zijn lessen. Ben ik een andere, betere leraar geworden dankzij dit vak?
Ik zou het werkelijk niet weten. Het was allemaal nogal vaag en ongrijpbaar.
Gek genoeg herinner ik me de eerste les nog wel. De reeks lessen begon namelijk met een concrete, interessante vraag.
Zijn eerste vraag aan ons, zijn leerlingen, was: ‘Wat is muzikaliteit? Definieer dit begrip.’

Als ik een ieder die tot hier gelezen heeft zou kunnen vragen of hij of zij vindt dat John, Paul, George en Ringo muzikaal zijn (waren), denk ik dat ik telkens ‘ja, zeker weten’ als antwoord zou krijgen.
Een vervolg op deze vraag zou kunnen zijn: ben je zelf muzikaal? De lezers die een instrument bespelen zullen met ‘ja’ antwoorden. Maar bespeel je geen instrument, hoe zit het dan? Ben je dan per definitie onmuzikaal?

Theo, de leraar die de muzikaliteits-vraag stelde, kwam uiteindelijk ook met een definitie: muzikaliteit is het vermogen geraakt te worden door klanken. Ah! Dat betekent dus dat elke Beatlesfan die geniet van de nalatenschap van deze band zeer zeker muzikaal is.

Het woord klanken is veelomvattend. Het gaat hierbij natuurlijk om klanken die in een samenspel met elkaar tot iets komen dat wij muziek noemen. Maar wat is dan muziek?
Laat ik er een autoriteit bij halen. Keith Richards zei ooit dat hij rap en hiphop geen muziek vindt.
Muziek heeft volgens hem drie pijlers: melodie, harmonie (akkoorden) en ritme.
Ik ben het voor een groot deel met hem eens. Ik denk alleen, in tegenstelling tot Keith, wel dat een stuk dat enkel uit ritme bestaat muziek kan zijn, mits er een grote mate van variatie en een even grote mate van logica in de ritmiek te vinden is. Een drumsolo zoals die van Ringo tegen het eind van ‘Abbey Road’ is absoluut een muzikale uiting. Een stuk voor slagwerkensemble is muziek, ondanks het mogelijk ontbreken van melodieën en harmonieën.
Of de éénvormige ritmiek van rap muziek is, m.a.w. of Richards helemaal ongelijk heeft of niet, mag een ieder voor zichzelf bepalen.

Muziek is in de eerste plaats natuurlijk iets dat je moet ondergaan. Het doet iets met je. Waarom? Vaak zul je het niet kunnen verklaren. Jeugdsentiment speelt zeker een rol. De muziek van je jonge jaren heeft, naarmate je ouder wordt vaak een streepje voor.

Maar muziek biedt ook, zoals eerder gezegd, meerdere bouwstenen die aanknopingspunten kunnen bieden. De door Richards genoemde pijlers, maar ook bouwstenen die met vorm en structuur te maken hebben. Het is niet noodzakelijk om weet te hebben van deze bouwstenen. Muzikaliteit, het vermogen geraakt te worden door klanken. Meer is het niet. Want wat is er nu mooier dan voor de zoveelste keer naar ‘Something’ luisteren en naast het ondergaan van de klanken, ook de herinnering aan een leven mét die klanken mee te voelen resoneren. Geraakt worden door de melodie én de solo. Het ‘wow’ gevoel dat, denk ik, iedereen ondergaat op het moment dat de song het gedeelte ‘you’re asking me will my love grow……’ binnen gaat. Onbewust ervaart iedereen de intensivering van dit moment.

Meer is het niet….Meer hoeft het niet te zijn. Hoewel de zin ‘meer is het niet’ het gebeuren tegelijkertijd heel erg tekort doet. Er gaat een verhaal schuil achter de manier waarop componisten, de manier waarop John, Paul en George, het voor elkaar krijgen ons te emotioneren. Het is het verhaal van het hoe en waarom van keuzes, maar het is ook het verhaal van het ‘Zijn’ van de persoon die creëert in de bredere context van zijn of haar leven, van de tijd waarin dit creëren plaats vindt.

De actie, nodig voor de intensivering in ‘Something’ naar het ‘you’re asking’ deel, de verandering van toonsoort, deze ommezwaai is zo minimaal, dat de grootsheid van het idee je makkelijk kan ontgaan. Maar jeetje, wat een vondst! Één motief op twee manieren gebruikt, waarbij George de tweede keer slechts één noot, wel de meest bepalende, verandert waardoor er een deur dicht gaat maar, belangrijker nog, ook een andere deur open gaat.

Onmisbare informatie? Nee zeker niet, maar het is wel erg leuk om te weten dat het korte motiefje dat de song introduceert, dat delen verbindt, gebruikt wordt om van toonsoort te veranderen. Het rustpunt C wordt verlaten en verschuift voor dit deel naar A. Dat daarbij juist de noot C, de noot die zoveel rust bracht, verruilt moet worden voor een Cis, ja dat de C nu zelfs helemaal buitenspel staat, maakt het geniaal. Een in potentie complexe overgang, maakt George moeiteloos m.b.v. het eenvoudige beginmotiefje.

Dus nogmaals, moet je dit soort dingen weten? Nee, natuurlijk niet. ‘Something’ is en blijft een meesterlijke song. Maar met eigen ogen (en oren) kunnen ‘zien’ dat niet alleen de song meesterlijk is, maar dat de man uit wiens geest dit voortkomt ook meer dan meester van de materie was, is wel gaaf. Begrip van wat er gebeurt zorgt voor grip op het gebeuren. Grip verdiept de luisterervaring. Natuurlijk blijft de emotie die bij luisteren hoort met stip op één staan, maar deze verdieping is een geweldige bonus.
Niet voor niets zijn er boeken vol geschreven over de muziek van en de muzikale bouwstenen binnen de muziek van The Beatles.

De manier waarop Paul, John en George te werk gaan, de keuzes die ze bij het componeren maken, zegt veel over hen. Door je te verdiepen in hun songs leer je ze een beetje beter kennen.
Zo is Paul, de perfectionist, de workaholic, de Beatle met het meeste inzicht in hoe muziek werkt. Zijn harmonische bouwwerken kloppen altijd helemaal. Ze zijn analytisch te verklaren en te volgen.
Hij ziet daarbij opties die getuigen van een totale beheersing van de materie. Hij beheerst zelfs de meest fantastische dingen. Een modulatie zoals je die enkel in de meer complexe jazz stukken vindt? Geen probleem. Een meer klassieke keuze die op fenomenale wijze (alla Bach) de tekst uitbeeldt? Hij beheerst het niet alleen, maar gaat daarbij ook nog veel verder dan voor de hand liggende keuzes als een dalende melodische lijn om het de trap af lopen in een tekst te verklanken. De modulatie tussen refrein en couplet en vice versa in ‘Penny Lane’ gebruikt om de tekst uit te beelden, getuigt van absoluut meesterschap. Zie de column ‘Penny Lane voor de details.

De wat moeilijker te vangen George heeft een voorkeur voor septiemakkoorden. Andere septiemakkoorden dan dominantseptiemakkoorden. De vaagheid van b.v. een grootseptiemakkoord lijkt wel gemaakt voor de persoon Harrison. Opvallend is verder dat zijn songstructuren regelmatig afwijken van de meer gestandaardiseerde vormen.
De man die zich niet wilde laten vangen of beperken door de waan van de dag, liet zich ook muzikaal niet vangen of inperken.

De onvoorspelbare Lennon was ook in zijn harmonische keuzes onvoorspelbaar. Hij liet zich vaak leiden door wat hij mooi vond. Dat een dissonant (een spannende samenklank) op zou moeten lossen in een consonant (een ontspannen klinkende samenklank), ach het zal wel. Dat kon nog wel een paar dissonanten later.

Harmonisatie (het geheel van akkoordverbindingen in een song) is maar één manier om naar muziek te kijken. Je kunt ook kijken naar het totaalplaatje. Wie doet op welk moment wat en hoe is de onderlinge verdeling gedurende verschillende delen van een song. Speelt en zingt iedereen altijd of zijn er verschillen tussen vers en refrein? En als die er zijn welke zijn dat dan?

Je kunt kijken naar melodieën, ja zelfs naar de ontwikkeling van deze melodieën gedurende het bestaan van The Beatles. Wat zijn de stijlkenmerken van de melodieën die in of voor
1963 geschreven zijn?
En welke ontwikkelingslijnen zijn er te vinden in deze muziek van 1962 tot 1970?

Het is mijn bedoeling om gedurende de komende jaren af en toe een column te schrijven met een meer analytische inhoud. Soms zal dat voor iedereen makkelijk te volgen zijn, zoals b.v. in het geval van een column over de melodische opbouw van veel vroege songs. De tekst helpt dan om de structuur duidelijk te maken.

Soms zal het echter ook, voor de fans die minder weet hebben van de muziektheoretische achtergronden, wat minder eenvoudig te volgen zijn. Maar deze materie is zo ongelooflijk boeiend, dat ik toch een poging ga wagen.

Theo, de broer van kabouter Plop, gaf ons de term. Natuurlijk gaf hij ons nog heel veel meer, maar de eerste stap richting grip door inzicht, zetten we, gezeten aan tot een rechthoek aan elkaar geschoven tafels, in zijn lokaal.
Daarnaast was er Henk, de leraar die ons enthousiast maakte voor de wondere wereld van het verhaal achter de klanken.
De opmerking waarmee hij zo ongeveer begon zal ik nooit vergeten: ‘Je moet muziek niet als een trein langs je heen laten denderen. Je moet je aan elk raampje vast willen houden!’

Het klinkt alsof dat vooral gevaarlijk is. Waarom zou je dat doen?
Omdat het zo ongelooflijk de moeite waard is! De wondere wereld van de klanken en het waarom achter de fascinatie voor die klanken.
Ik ga het wagen. Ik ga, over een lange tijd gespreid, proberen het enthousiasme dat Theo en Henk ooit in mij wakker riepen, over te brengen in een aantal columns.
Want muzikaliteit mag dan wel gedefinieerd worden als ‘het vermogen geraakt te worden door klanken’, het waarom achter dat geraakt worden is extreem boeiend én het geeft een uniek inkijkje in de gedachtenwereld van drie van onze vier helden: John, Paul en George.

Beweging

Beweging

Gek genoeg was het dit keer een song van John die me over de streep trok. Tot ik kennis maakte met dít album waren het vooral de creaties van Paul die de wat minder toegankelijke albums behapbaar maakten. Albums waar ik meer moeite mee had, die eerste periode van verkennend luisteren. Meestal kwam dat door de bijdragen van John, die me vaak een ‘What the f@*ck’ gevoel gaven.
Dit keer bleek het anders. De toegankelijke en minder toegankelijke songs waren eerlijk verdeeld onder de belangrijkste componisten binnen de groep.

Bij mijn kennismaking met ‘The White Album’ schommelde de waarderingsbarometer tussen geweldig en het soort verbazing dat een objectief oordeel vooralsnog onmogelijk maakte. Maar anders dan tijdens de eerste keren beluisteren van b.v. ‘Revolver’ was er nu geen echte weerstand tegen de minder toegankelijke songs. Dat kwam, denk ik, doordat ‘Revolver’ me al had geleerd dat de moeite die ik met delen van een album kon hebben, gevolg van klanken die niet strookten met mijn verwachtingspatroon, uiteindelijk altijd plaats zou maken voor bewondering.
Ik wist dus inmiddels dat ik enkel open moest staan voor het nieuwe klankpallet en de tijd zou de rest doen. ‘Mijn’ groep was betrouwbaar. Ze leverden kwaliteit en die kwaliteit zou na verloop van tijd ook mij overtuigen.
Uiteindelijk zou de ervaring mij leren dat de hoeveelheid moeite die ik voor een album moest doen mede bepalend was voor de lange adem van de waardering. Hoe meer moeite ik moest doen, hoe groter de waardering ook op de lange termijn zou blijken te zijn.

De eerste fans, de mensen die gespannen uitzagen naar elke nieuwe release van The Beatles, konden meegroeien met de band. De tijd die The Beatles nodig hadden om stappen te zetten gaf fans de tijd mee te groeien. Bovendien bereikten de albums hen natuurlijk chronologisch.
Ik, als latere fan die de band medio jaren ‘70 ontdekte, gezegend met een totaal onvermogen om geld lang in de zak te houden, kocht de albums in veel minder dan de helft van de tijd die The Beatles nodig hadden gehad om dit oeuvre te creëren. Omdat de volgorde van aanschaf ook nog bepaald werd door de inhoud van de bakken in de platenzaken die binnen fietsafstand van mijn huis gevestigd waren, leerde ik de albums niet in chronologische volgorde kennen. Dat maakte het nog moeilijker om de snelle ontwikkeling van The Beatles te kunnen volgen.

Niet onbelangrijk in dat verband; de albums waren op dat moment allemaal nog redelijk nieuw. Dat maakte dat de schok die de oorspronkelijke release had veroorzaakt onder fans nog steeds natrilde. Het was op het moment dat ik de albums leerde kennen in zekere zin nog steeds muziek van ‘nu’. De tijd en het feit dat deze muziek inmiddels een soort cultureel erfgoed geworden is, maken dat het nu moeilijk voorstelbaar is hoe groot de verbazing destijds was bij elke kennismaking.
Een kennismaking die enkel via fysieke media (en een heel klein beetje via de radio) kon lopen. Een kennismaking telkens weer met het album als geheel, zonder vooraf al te veel informatie over wat je als luisteraar te wachten zou kunnen staan.

Kant twee van ‘The White Album’ zou uiteindelijk mijn lievelingskant worden afgezet tegen elke andere lp-kant voortgebracht door de Fab Four. Dat is niet logisch, omdat het zeker niet de beste kant in het scheppen is. Er is genoeg op aan te merken. Er staat met ‘Don’t Pass Me By’ een ongelooflijk niemendalletje op. En een, ja wat is het eigenlijk? Het heet in ieder geval ‘Why Don’t We Do It In The Road’ en daar is alles mee gezegd. Waarbij ik wel moet toegeven dat ik blij ben dat deze bijdrage niet gewipt is. Het had zomaar gekund. Ik ervaar juist dat beetje chaos in de tracklist als één van de meest charmante aspecten van dit album.

Voegt de improvisatie ‘Wild Honey Pie’ iets toe? Zou er iemand zijn die, na het beluisteren van dit album, dit melodietje in het hoofd heeft zitten? Ik kan het me niet voorstellen, maar die kleine intermezzo’s (Wild’, ‘Can you take me back’ en ‘Why’) passen in het concept van een album dat vaak beschreven wordt als het solo-album van vier min of meer samenwerkende Beatles. Dat heen en weer in stijl en sfeer is geweldig en daar horen de verbindingsstukjes zeker bij.

Ik houd ook van ‘Rocky Raccoon’. Een vier akkoordenschema opgewarmd zo’n tien jaar nadat een dergelijk schema erg populair was. Een verhaal dat een toegankelijker variant lijkt te zijn van een epos van Bob Dylan op ‘Blood on the Tracks’ en een arrangement dat in alles perfectie ademt.
Is het één van de absolute top-songs in het Beatles-oeuvre? Zeker niet. Maar alleen de opbouw qua instrumentatie én de piano-solo maken het al tot een passend bestanddeel van de bonte muzikale deken die bekend is geworden onder de naam ‘The White Album’

Bovendien zijn alleen de eerste vier songs van deze tweede kant en de beide songs aan het eind voor mij al meer dan voldoende om deze kant twee hoog aan te slaan. Meer dan voldoende ook om ‘The White Album’ tot mijn meest favoriete album van de band te maken. Natuurlijk zijn de andere kanten eveneens heel erg de moeite waard.

De dubbelslag aan het eind. Het schitterende ‘I Will’ met de door Paul gezongen baslijn en de fraaie verlaagde zesde trap in de harmonisatie tegen het eind gevolgd door een Lennonsong met een McCartney-achtige toegankelijkheid. Er zou op de kanten drie en vier nog veel volgen dat mijn verbazing zou wekken en een meer of mindere mate van gewenning zou vergen, maar die eerste lp en met name kant twee! Ik was verkocht.

‘Julia’ kent twee aspecten die een zekere mate van continue beweging suggereren. De fingerpicking gitaarstijl die John in India geleerd had van Donovan, beweegt bijna meditatief onder de zang. De zang zelf gaat ook voor een groot deel zonder onderbreking door. De naadloze verbinding tussen de tekstdelen waarbij de afsluiting van het ene deel samenvalt met de inzet van het volgende is geniaal. Het lijkt zo simpel en klinkt zo boeiend. Een vondst. Outtakes laten horen hoe Lennon telkens zinnen onaf moest laten in een take of later in moest zetten voor het vervolg, waarna hij in een later stadium de ontbrekende flarden ingezongen zal hebben.

Melodisch is dit in de eerste maten het prototype van een melodie gecomponeerd door Lennon .Tijdens de eerste zin: ‘Half of what I say is meaningless. But I say it just to reach you Julia’ klinkt maar één noot tot het laatste ‘lia’. We horen enkel een a. Saai, saai en nog eens saai. Zou je denken, maar de harmonisatie (mooie maar zeker geen al te opvallende akkoorden) geeft de melodie toch een gevoel van beweging waardoor de in potentie saaie keuze voor één noot opeens openbloeit. Typisch Lennon.

Hierna zoekt en vindt de melodie een iets groter speelveld. Het is nog steeds niet de wereld, maar die ene noot wordt verlaten. Harmonisch gaat de rem er ook meer af. Bijna elk akkoord krijgt een toevoeging (een 6, een 7 of een 9). Zelfs MollDur ontbreekt niet. Dat laatste is een geliefde harmonisatie optie voor Lennon, zeker vanaf 1965. Overigens wat betreft de niet al te opvallende harmonisatie: het slotakkoord is meer dan buitengewoon. Een grootseptiemakkoord met nog een paar extra’s. Je voelt de ziel van de overleden Julia bijna wegzweven, zo weinig gegrond voelt dit akkoord.

In de manier van zingen beheerst Lennon zich. Het speelveld is, zoals gezegd, iets groter geworden na het eerste zinnenpaar, maar Lennon zet geen stap buiten de zelf gekozen melodische grenzen. Die vrijheid bewaart hij tot de laatste woorden van het lied, waardoor deze vrijere keuze een ongelooflijk gevoel van melodische bevrijding krijgt. Uitstelgedrag dat een in principe simpele verandering maakt tot iets wonderschoons.

Ik moet in dat verband denken aan een geweldige theorieles aan het conservatorium. De leraar liet het ‘Wiegenlied’ van Brahms horen en vroeg welke akkoorden we hoorden. We tuinden er allemaal in en meenden in het tweede gedeelte het meest fraaie akkoord te horen. Maar doordat Brahms voor de eerste helft slechts twee akkoorden gebruikt en je relatief lang moet wachten op de uitbreiding, klonk het derde akkoord geweldig, hoewel het een heel eenvoudig basisakkoord is. De drie akkoorden waar Brahms het in dit lied mee doet zijn qua functie de drie akkoorden die de harmonisch meest eenvoudige muziekvorm, de blues, dragen.

John doet hier iets dat voor een vergelijkbaar effect zorgt. Een niet spectaculaire melodische verandering klinkt waanzinnig doordat Lennon zich tot dat moment beheerst heeft en niet is afgeweken.

Vergelijk dat eens met de outtakes van ‘Blackbird’ (‘Anthology’, de 2018 boxset of bootlegs). Paul neemt in sommige takes vrijheden in de zang die de definitieve versie niet hebben gehaald. Niets geks, minimale veranderingen, maar toch werkt het, anders dan bij ‘Julia’ niet. De rust van ‘Blackbird’ blijkt geen inbreuk van omspelingen te dulden.

Echte genialiteit openbaart zich volgens mij vooral in het kleine. Het is makkelijk om met een heleboel toeters en bellen mensen onder tafel te spelen. Maar er is vakmanschap nodig om in het kleine, in de kleine bezetting, de kleine melodische bewegingen en de relatief kleine harmonisaties iets groots te creëren. Daar komt bij dat de meer complexe dingen, de permanente gitaarbeweging, de ‘gekoppelde’ zanglijnen en de beheersing tot het juiste moment als je het hebt over het inperken van de melodische variaties én het uiteindelijk uitbreken, allemaal bedrieglijk eenvoudig klinken. En dat ‘bedrieglijk’ doet het ‘m.

Ik probeer het mijn leerlingen vaak duidelijk te maken. Leerlingen die soms denken dat vingervlugheid en uit een partituur kunnen spelen die zwart ziet van de noten staan voor beheersing van het instrument, van de ware muzikale kunst
Nee, juist de beheersing die niet het achterste van de tong laat zien, de achter de kleine muzikale beweging verborgen grootheid laat de ware meester zien.
‘Julia’ is zo’n song die achter bedrieglijke eenvoud muzikale grootheid verbergt.
Als je zoiets kunt creëren ben je echt een hele grote.

Dumbledore

Dumbledore

Hij was nog niet dood, of men vergat hem. Zijn verouderde muziek deed er niet meer toe.
Enkele decennia later zou een enkeling de schoonheid van zijn oeuvre herkennen en zich verdiepen in de muziek, maar voor de massa had hij net zo goed niet geleefd kunnen hebben.
Tot, lang na zijn dood, iemand de muziek herontdekte en deze een podium gaf voor een groot publiek.

J.S. Bach (want over hem gaat het) kreeg opnieuw aanzien nadat de vroegromantiek hem weer ontdekt had. Alleen, tsja het was wel een beetje de muziek van een andere generatie. Om mensen te boeien moest men het maar spelen in de klankkleuren waaraan de moderne 19e eeuwer gewend was. Zijn bladmuziek uitgegeven in die dagen, dé manier, naast concertbezoek, om muziek te leren kennen in een tijd dat er geen geluidsdragers waren, verandert van aanzien. Het grafisch beeld wordt romantisch met eindeloos veel meer romantische aanwijzingen. Veel en veel meer dan Bach noodzakelijk achtte, dan paste bij zijn muziek.
De muziek leefde voort, maar wel op een sterk aan de veranderende tijden aangepaste manier.

Tot er, nog weer veel later, mensen kwamen die zich afvroegen hoe de muziek geklonken zou kunnen hebben in de tijd van Bach. Door de wirwar van latere toevoegingen en romantiseringen zocht men zich een weg terug naar de bron. Romantische muziek is prachtig en heeft heel veel te bieden, maar de romantische idealen doen de muziek van Bach geen goed. Nee, men is het erover eens dat de muziek gestript moet worden van alle latere toevoegingen. De partituren worden ontdaan van alles wat er in de loop van eeuwen bij is gekomen. Kijkend naar het notenbeeld zie je vanaf dat moment wat Bach écht heeft geschreven. De moderne luisteraar is geïnteresseerd in Bach, niet in de ideeën over Bach van de romantici.

Muziekinstrumenten zijn aan slijtage onderhevig. Als een instrument gedurende, ik noem maar iets, honderd jaar bespeeld wordt, is er onderhoudswerk nodig dat ingrijpender is dan een schroefje hier en een poetsbeurt daar. De koning onder de instrumenten, het kerkorgel, is zo’n instrument dat generaties overleeft, maar uiteindelijk onvermijdelijk aan zijn laatste adem toe is wat een grote onderhoudsbeurt noodzakelijk maakt.
Op zo’n moment zijn de mensen die verantwoordelijk zijn voor het orgel andere mensen dan de mensen die het instrument gebouwd hebben. Andere mensen met een heel ander besef van schoonheid. Deze mensen restaureren het orgel dat naar adem hapt naar de op dat moment geldende inzichten, waardoor het onderhanden genomen instrument een ander instrument is geworden dan het oorspronkelijke instrument.

Fast forward naar de laatste decennia van de vorige eeuw. De opeenvolging van nieuwe generaties die zorg dragen voor het instrument is doorgegaan en inmiddels staan er mensen rond het orgel die het jammer vinden dat het oorspronkelijke instrument verdwenen is onder de vele latere toevoegingen en veranderingen. Zij realiseren zich dat de mensen die lang geleden het orgel bouwden niet gek, niet primitief waren. Een kostbare restauratie moet, na een tijd en geld verslindende zoektocht naar hoe het er oorspronkelijk uit heeft gezien, het orgel bevrijden van de latere toevoegingen.

Toen medio jaren ‘80 van de vorige eeuw de cd opkwam heb ik, na veel druk van o.a. de verkoper in de winkel waar ik mijn lp’s kocht mijn lp’s op zolder gezet en geïnvesteerd in cd’s en een cd-speler.
Nu had ik het voor elkaar. Mooier kon niet. Tot, niet eens zo heel veel later, duidelijk werd dat de digitale wereld van de cd niet in alle opzichten partij kon bieden aan de analoge, warme, gelaagde klankwereld van de platenspeler en lp’s. Exit cd-speler en terug naar hoe het 20 jaar daarvoor was.

Deze voorbeelden illustreren een typisch menselijk iets: elke volgende generatie denkt dat ze een beter inzicht of betere technische middelen tot hun beschikking hebben dan de generaties ervoor.
In sommige opzichten is dat ook zo. Neem b.v. de technische middelen die het mogelijk maken de albums van The Beatles opnieuw te mixen. Dat is een ongelooflijk staaltje menselijk kunnen. Op het moment dat zoiets kan komt de vraag: nu het kan, wat willen we ermee en hoever willen we gaan? Er zit een lijn in de mate van sleutelen aan de albums van The Beatles van 2009 (de stereo remasters) tot aan de onlangs verschenen rode- en blauwe dubbel lp (inmiddels zes schijven ipv vier).

In het ongelooflijk fraaie boek, onderdeel van de vinyl-boxset van de 2009 stereo albums, staat een hoofdstuk over de processen en keuzes die tot deze heruitgave hebben geleid.
In 2009 wordt bijna trots gemeld dat er zo weinig aanpassingen gedaan zijn. Een beetje dit, een beetje dat. Maar respect voor de oorspronkelijke albums was het uitgangspunt.
Daarna volgen de eerste remixen van de hand van Giles met een paar niet al te ingrijpende veranderingen.
Veranderingen geënt op de mono-albums. Veranderingen die de stereoversies meer overeen laten komen met de monoversies die zoals bekend weergeven wat The Beatles zelf voor ogen stond.
Een meer dan te verantwoorden keus.

Spoelen we weer een eindje door in de tijd en we komen uit bij ‘Revolver’ en de onlangs verschenen rode- en blauwe compilatie-albums. Vooral de laatste twee zijn gedurende delen zo extreem veranderd dat er sprake is van een nieuwe song-opbouw. Waarom b.v. het radio-deel van Walrus zo extreem veranderen? De keuzes van de vijf scheppende mensen uit 1967 worden vervangen door de voorkeuren van Giles en zijn team. Waarom? Is dat beter? Het is enkel anders waarbij je de lijn naar het oorspronkelijke creatieve team doorsnijdt. Om de vraag uit ‘meningen’ nog eens aan te halen: mag dat? Luisteraars worden geconfronteerd met een product voortgekomen uit het brein van Giles. Hebben we daar op de lange(re) termijn belang bij? Is dat interessanter dan de creatieve processen van de vader en de vier magiërs in de studio? Is het zó belangrijk dat we de connectie met de mensen die dit moois geschapen hebben ervoor op willen geven? En, waar gaat dit eindigen? Gaan we uiteindelijk de tracklisting van albums aanpassen? Dat lijkt misschien ondenkbaar, maar dat is volgens mij een kleine stap na de stappen die al gezet zijn sinds 2009.

Technisch kan er tegenwoordig ongelooflijk veel meer dan zestig jaar geleden. Maar genialiteit kent niet een vergelijkbare stijgende lijn. De mensen die nu aan de knoppen draaien moeten qua ideeënrijkdom, creativiteit en scheppend vermogen nog steeds hun meerdere erkennen in John, Paul, George en George Martin. Mooi of minder mooi is daarbij van ondergeschikt belang.

Twee voorbeelden;
De song ‘Magical Mystery Tour’ heeft in de remix een prominent aanwezig gitaarpatroontje meegekregen in het rechter kanaal. Ik vind het heerlijk klinken en het geeft de song bovendien veel meer een gevoel van een groepsgebeuren. Echt helemaal te gek! Maar The Fab Four en George Martin kenden deze optie ook. Ze hebben het immers zelf ingespeeld en opgenomen. Toch hebben ze een andere keuze gemaakt. Ik kan de nieuwe mix zeker waarderen en geniet er enorm van, maar ben me er ook van bewust dat vier grote geesten anders gekozen hebben. Wie ben ik dan om die oorspronkelijke keus te negeren?

‘She Said She Said’
Een opvallend dingetje in de nieuwe mix wordt gevormd door de scherpe toon die als een soort stoorzendertje (positief bedoeld) de mix bijna permanent kleurt. Het is wat meer geïsoleerd in de mix geplaatst waardoor het ook nog eens beter opvalt. Deze keuze heeft mij meer bewust gemaakt van het toontje in de oorspronkelijke mix, alwaar het een meer aan en (vooral) uit gebeuren is dat bovendien meer versmelt met de andere aspecten binnen het klankbeeld. Dank aan de nieuwe mix die mij erop geattendeerd heeft want daardoor luister ik met nog veel meer plezier naar de oude mix die alles tegen elkaar wegstrepend nog steeds mijn voorkeur heeft.

Zoals gezegd is er tegenwoordig technisch heel veel meer mogelijk dan in de jaren zestig. Maar komt een deel van onze bewondering voor The Beatles niet voort uit het feit dat zij zo creatief waren dat ze de beperkte mogelijkheden van de studio’s van die tijd nooit hebben willen accepteren? Ze lieten zich niet inperken door de onmogelijkheden van de tot hun beschikking staande middelen.

Vader Martin werkte met beperktere middelen dan zijn zoon. Pa en zijn vier muzikale kinderen lieten zich niet tegenhouden door de technische middelen van die tijd. Zijn zoon heeft een digitale muzikale wereld tot zijn beschikking die eindeloos veel grootser is dan de wereld van de oude heer. Maar ik denk dat de prestatie van pa met beperktere middelen hoger aangeslagen moet worden. Iemand met inzicht in de technische kant kan digitaal een wereld ontsluiten die in ieder geval mijn voorstellingsvermogen ver te boven gaat. Dan past slechts verwondering en verbazing.
Maar Martin senior moest alles (met hulp van Emmerick) zelf bedenken. Het vaak oneigenlijk gebruik van middelen schiep iets magisch. Geen verwondering , maar bewondering.

Een studiegenoot waarmee ik nog steeds veel over muziek en met name The Beatles praat, kwam met een fraaie vergelijking t.a.v. het hele remix gebeuren dat onder de handen van Giles steeds meer een herinterpretatie lijkt te worden dan een remix.
Hij noemde George Martin de Dumbledore van Harry Potter (The Beatles). Harry Potter, de onbetwiste hoofdpersoon en uiteindelijk de grootste magiër. Ik gebruik het woord magiër en niet tovenaar omdat The Beatles ook magiërs in de studio waren. Dumbledore (George Martin), een ongelooflijke grootheid, maar ook groot genoeg om te erkennen dat zijn rol altijd een dienende rol t.o.v. de echte hoofdrolspelers moest zijn.

In de Harry Potter serie komt maar één Dumbledore voor. Dat betekent onvermijdelijk dat elk ander personage (met uitzondering van Potter) in de reeks minder groots moet zijn. Zo is het volgens mij ook in het Beatles-verhaal. George was de man die kon putten uit een ongelooflijke hoeveelheid kennis en ervaring. Die ingrediënten gekoppeld aan een grenzeloze fantasie en verbeelding maakten het mogelijk dat hij zich niet liet tegenhouden door eventuele beperkingen van de hem ten dienste staande technische middelen. Giles, de zoon, beschikt over een technisch speelveld waar zijn vader zich waarschijnlijk niet eens een voorstelling van zou kunnen maken. Maar Giles kan denk ik niet tippen aan de veelzijdige grootsheid van pa. Neem enkel het orkest-arrangement achter eender welke Beatlessong die hij georkestreerd heeft en verbaas je over een vaardigheid die hij had die normaal gesproken niet tot het werkterrein van de producer behoort. Een vaardigheid die Giles niet bezit.

Zoals ik in ‘Heruitgave deel 1’ en ‘Meningen’ al heb gezegd geniet ik van de remixen en ben ik blij met elke kans het oud vertrouwde op een nieuwe manier te beluisteren. Voorwaarde is daarbij wel dat de oorspronkelijke mixen altijd blijven bestaan. Mochten deze generatie fans én de mensen die nu verantwoording dragen voor de muzikale erfenis van The Beatles de oorspronkelijke mixen ooit vergeten, de geschiedenis leert dat een toekomstige generatie uiteindelijk altijd weer de keuzes van een tussenpaus zal vergeten ten gunste van de originelen. Voor hen, die vanuit een ander, meer tijd omspannend perspectief kijken zal Giles uiteindelijk gewoon de zoon van de grote man zijn. Men zal willen weten wat de man zelf voor The Beatles gedaan heeft. Ik hoop dat het niet al te moeilijk gaat worden voor toekomstige fans om de originelen weer in beeld te krijgen.

De digitale wereld (en daarmee ook A.I.) heeft ontegenzeggelijk nieuwe vergezichten ontsloten, maar door verder te kijken mis je soms datgene dat vlak voor je staat. Een voorbeeld. Beluister (als je de kans hebt) ‘Because’ van ‘Abbbey Road’ eens op twee manieren. Eerst de remaster van 2009 en vervolgens een analoge persing op vinyl. De 2009 klinkt prachtig maar wel een beetje ééndimensionaal. Vergelijk dat met een analoge opname op vinyl en je hoort de ruimte. Je hoort echt dat John, Paul en George niet allemaal op een zelfde afstand van de microfoon staan. Ik neem aan dat deze ruimtelijkheid digitaal ook te realiseren is, maar tegenwoordig kiest men er vaak voor om dingen gelijkvormig te maken. Ik schrok van het dynamisch schema van de blauwe en rode heruitgave op cd. Daar ontbreekt echt elke dynamische tekening. Het egale volume dat mensen moet binden aan een streamingservice (brickwalling), het volume dat volgens onderzoek mensen vasthoudt. De eenvormigheid in klank als spiegel van een maatschappij waarin eigenheid tot een probleem kan worden (buitengesloten worden).

Om nog even terug te keren naar het voorbeeld van het begin; ook Mendelssohn (de componist die Bach herontdekte) verruilt uiteindelijk het tijdelijke voor het eeuwige. Na verloop van tijd willen liefhebbers van de muziek niet meer weten hoe Mendelssohn Bach interpreteerde, nee ze willen informatie uit de eerste hand (voor zover mogelijk). Hoe zou de muziek onder leiding van Bach zelf geklonken hebben?
Dat is ook niet onlogisch toch? Zoals ooit het origineel verouderd leek, wordt als er maar genoeg tijd verstrijkt, ook datgene wat ervoor in de plaatst komt iets van het verleden. En waarom zouden toekomstige generaties meer interesse hebben in een dan archaïsch geworden herinterpretatie van een bron uit het verleden, dan in die bron zelf? Kortom: de geschiedenis leert dat er op elke herinterpretatie door nieuwe generaties altijd weer een herwaardering van het origineel volgt.
Laten we (voor wie dat wil) genieten van alle nieuwe dingen in de steeds groter wordende Beatleswereld, maar laten we ook en vooral zuinig zijn op alles wat voort is gekomen uit de verbeeldingskracht van vier jonge mannen en hun producer, want hoe je het ook wendt of keert, The Beatles zijn een jaren zestig fenomeen. Een fenomeen met een lange adem maar toch, het gaat altijd om die vier jonge gasten en hun Dumbledore in dat pand in Londen.
Hun ‘Chamber of Secrets’. En, om George Harrison te citeren: ‘the good work that’s always gone down in number two.’

Meningen

Meningen

‘Nee! Volgende week vrijdag!’ Ik zag dat de man achter de toonbank moeite moest doen om zijn ergernis te verbergen. Hij had het mij al vaker moeten zeggen, maar ik bleef hopen op een wonder. Of eigenlijk kon ik gewoon niet wachten. Ik kon niet wachten tot het nieuwe album (‘London Town’) eindelijk in de winkel zou liggen. Meestal kwam het als een verrassing als er weer eens een nieuw Beatlessolo-album in de winkel lag, maar soms werd er zoveel reclame voor een release gemaakt dat zelfs ik het niet kon missen. Met een flink portie stress tot gevolg.

Een voordeel van ouder worden is dat je iets meer leert relativeren. Gelukkig maar, anders had ik de afgelopen jaren geen leven gehad met het grote aantal nieuwe releases van zowel groeps- als solo-materiaal. Nee, ik laat me niet meer gek maken. Dat dacht ik althans tot afgelopen vrijdag. Die dag leverde het wachten op de bezorger van post.nl weer eens ouderwets stress op. Ik koop mijn vinyl doorgaans in een winkel, maar omdat ik persé de versie op gekleurd vinyl wilde hebben moest ik mijn toevlucht nemen tot het internet.

Na alle boxsets die de afgelopen jaren zijn verschenen die ik enkel met gezonde nieuwsgierigheid tegemoet zag, voelde het bij deze 1962-1966/1967-1970 release alsof er iets nieuws zou verschijnen. In zekere zin is dat natuurlijk ook zo. Nieuwe technische middelen maken het mogelijk om het niet optimale stereobeeld van de jaren zestig te vervangen door een moderner klanklandschap. Vooral de rode set zou bijna onherkenbaar anders moeten klinken. ‘Revolver’ smaakte naar meer. Naar veel meer. Met lang vergeten stress tot gevolg.

‘U wilt hier rechtsaf. Mag dat?’ Oudere streekgenoten herkennen in deze woorden waarschijnlijk een citaat van Herman Finkers uit een schets met de naam ‘diavoorstelling’. Getoond wordt op dat moment een dia van een verkeerssituatie waarbij je enkel linksaf kunt slaan. Een verkeerde vraagstelling. Een onzinnige vraag. In het verlengde daarvan wil ik hier ook een onzinnige vraag stellen.
Mag je het werk van The Beatles en van George Martin eigenlijk wel onderhanden nemen op de manier waarop dat de laatste jaren gebeurt? Kun je het wel maken om het op die manier, op essentiële aspecten te veranderen? Voordat mensen die tot hier gelezen hebben zich zorgen gaan maken: ik vind dat dat kan. Maar ik maak me tegelijkertijd ook zorgen.

Ik kom hierop omdat A.I. het mogelijk heeft gemaakt om ‘Now And Then’ alsnog uit te brengen, waarna na het succes van die release al vrij snel artikelen in respectabele tijdschriften etc. verschenen die suggereerden dat er nog veel meer mogelijk zou zijn en dat dit nummer niet de laatste single zou hoeven zijn. Een beangstigende gedachte. Vier mensen en hun producer creëren muziek van een ongelooflijk niveau. Hun erfenis voor de wereld en voor toekomstige generaties. Die generaties hebben de plicht dat werk met respect en een gevoel van nederigheid en je plaats kennen te behandelen.

‘Jongens, die nachtwacht is wel een beetje een somber ding. We gaan de kleuren opleuken. Het kan wel wat hipper.’ Je kunt met zekerheid stellen dat dat nooit serieus overwogen zal worden. In zekere zin gebeurt dit met het Beatles-repertoire nu wel. Het enige verschil is dat het oude vertrouwde naast het nieuwe blijft bestaan. De oude albums zijn nog te koop. Voorlopig althans. Wij, de oudere fans kunnen terecht bij de albums die we lang geleden kochten. De jongere generaties kunnen hun collecties uitbreiden met de oorspronkelijke releases door tweedehands platenbakken te doorzoeken, of m.b.v. Discogs of door genoegen te nemen met de niet helemaal optimaal klinkende 2009 releases. Deze laatste uitgave is in veel gelijk aan de oorspronkelijke uitgaves, maar uiteindelijk is het toch een surrogaat voor de analoge warmte en het meer driedimensionale klankbeeld van de oorspronkelijke uitgaves. Ze klinken wat ‘platter’ en beduidend minder warm.
De fantastische mono-box biedt ook al geen soelaas. De oplage was zeer beperkt, is inmiddels uitverkocht en een heruitgave zit er niet in.

Als mono niet te krijgen is, de oorspronkelijke, analoge albums zeldzaamheidswaarde krijgen en je op termijn enkel kunt kiezen tussen de niet optimaal klinkende 2009 albums met de oorspronkelijke mixen en de veel eigentijdser en beter (beter niet qua mix maar qua warmte etc.) klinkende remix-uitgaves, is het dan niet denkbaar dat de oorspronkelijke versies ooit verdwijnen?

Er komt waarschijnlijk een moment waarop nieuwe fans deze schitterende muziek enkel nog kunnen leren kennen middels de klank van de heruitgaven. Er komt in ieder geval een moment waarop de muziek zoals deze geklonken heeft in de oren van de mensen die erbij waren toen de albums opgenomen werden museale waarde krijgt. Nieuwe fans zullen op termijn het dichts bij de originelen kunnen komen middels de 2009 versies met hun stevige bas en over het algemeen in meerdere opzichten hardere klanken. En mocht uitkomen wat Universal denkt, dat de moderne mixen jonge mensen meer aan zullen spreken, zal de verkoop van de 2009 uitgaves uiteindelijk teruglopen. Blijven ze dan op de markt?
Om met Herman Finkers te spreken: ‘Mag dat?’ Commerciële belangen en artistieke verantwoordelijkheid zijn niet bepaald een gouden combinatie.

Niets ten nadele van de nieuwe mixen, ik geniet er echt van, maar de gemaakte keuzes koppelend aan de steeds vaker gehoorde gedachte dat A.I. maakt dat ‘Now and Then’ NIET de laatste single hoeft te zijn…..Ik vind dat niet heel veilig voelen. Nog niet zo lang geleden was het werk van kunstenaars voor altijd veilig. Nu kan elke digitale kunstenmaker die er wat over te vertellen krijgt zijn handelsmerk, zijn kleuren verbinden met het scheppen van de werkelijke kunstenaars. Mochten dan ook nog de analoge albums zoals de eerste fans die gekend hebben uit beeld raken, wat niet ondenkbaar is, worden The Beatles van de toekomst een ander fenomeen dan de band waarmee ik ben opgegroeid. Als alles digitaal mogelijk is is er behoefte aan mensen met beslissingsbevoegdheid die gevoel hebben voor de artistieke waarde van originelen. Maar ja, geld en beslissingsbevoegdheid, het gaat niet altijd op een goede manier hand in hand.

En eigenlijk begon de ellende al met streaming en de mogelijkheid een playlist te maken. Artiesten die albums ooit maakten met een overkoepelende gedachte, bereiken nieuwe fans nu vaak in lossse songs. ‘Mag dat?’ Natuurlijk mag dat, maar is het jammer? Absoluut! De herinneringen aan kennismakingen met albums als geheel, verbaasd zijn over de ontwikkeling tussen ‘Pepper’ en ‘The White Album’ behoren tot de mooiste van mijn leven. Voor geen goud zou ik die willen missen. Tegenwoordig beluister je ‘She loves You’ gevolgd door ‘Revolution’. Waar blijft het verhaal dat de heren te vertellen hebben? En even voor de duidelijkheid: ik heb een abonnement op Qobuz en stream met regelmaat via een streamer, dus ik heb niets tegen het fenomeen.
Het is alleen wel goed om je te realiseren dat winst op het ene vlak vaak gepaard gaat met verlies op een ander vlak.

Het is mijn probleem niet, ik ben immers voorzien, maar zoals ik de nachtwacht niet in graffiti kleuren wil ondergaan, wil ik ook het Beatles-oeuvre niet enkel in de nieuwe mixen ervaren. En dat heeft helemaal niets te maken met de kwaliteit van deze mixen, maar alles met het bewaren van het gedachtegoed van vijf geniale mensen. Vier Beatles en hun producer.
Begrijp me niet verkeerd; ik heb elke heruitgave (remix), beluister deze graag en met regelmaat en koop ook alles wat volgt honderd procent zeker. Maar als ik moest kiezen zou ik toch voor het oude kiezen.

De albums (1962-1966 en 1967-1970) zijn nog maar een paar dagen uit en de uploads op YouTube en de artikelen in kranten etc. hierover zijn al niet meer te tellen. Iedereen heeft een mening. De één vindt het geweldig, een ander vindt het niets. De één vindt het geweldig maar bepaalde songs niet, een ander vindt juist deze songs er met kop en schouders bovenuit steken.
Meningen, meningen, meningen.

Aanvankelijk was ik van plan om over een aantal weken, als alles een beetje bezonken zou zijn, een inhoudelijke analyse te schrijven, mijn mening te geven. Nu ik alles (meerdere keren) beluisterd heb denk ik dat dat voor mij niet werkt omdat het complexe materie is en blijft.

Het mooiste aspect van al die heruitgaven is voor mij dat ik, als iemand die al decennia naar deze muziek luistert, de songs op een nieuwe manier kan ervaren. Die frisheid is geweldig. Daar komt nog bij dat ik heel blij wordt van een extra piano-nootje, een klap hier, een gitaarnootje daar, een enthousiaste roep van McCartney op de achtergrond, die ik nog nooit gehoord heb.
De muziek verveelt nooit, maar de alertheid m.b.t. het luisteren wordt groter als je vertrouwde songs in meerdere ‘versies’ kunt beluisteren. Het oud vertrouwde voelt daardoor ook weer frisser.

De vraag: wat vind ik er nu eigenlijk van? is moeilijk te beantwoorden. Het is een beetje een gevalletje ‘winst en verlies rekening’.
Een paar voorbeelden.

‘I am the Walrus’.
Al vanaf de eerste kennismaking stoort me het mono/fake stereo van het origineel vanaf het moment dat de radio-uitzending erbij komt. Veel beter in de remix. Maar aan de andere kant: wat doet die ‘drop’ in volume rond dezelfde plek? En waarom zijn de achtergrondkoortjes tegen het eind zoveel minder prominent aanwezig? Waarom zingt Paul’s bas minder? Die plopt vooral. Maar aan de plus kant staat dan weer dat de vele elementen die het klankbeeld bepalen erg mooi naar voren komen.

‘The Fool on the Hill’
Ik heb de eerst zinnen gezongen door Paul nog nooit zó mooi gehoord. De emotie tegen het eind van die zinnen heeft een kwetsbaarheid (het zachter worden en de lichte trilling) die me in de oorspronkelijke mix nooit zo extreem is opgevallen. Maar helaas klinkt de bas gedurende twee korte momenten gespeeld op een mondharmonica minder zwaar. Ik mis die bassige mondharmonica klank in de maten met mondharmonica. Dat was, toen ik de song leerde kennen een ongelooflijk ‘wow!’ moment. Heeft niets te maken met of de nieuwe mix beter of slechter is. Ik mis ‘mijn’ moment.

‘Strawberry Fields Forever’
De verbinding tussen de twee gebruikte takes is in de nieuwste mix veel naadlozer. Deze verbinding die George Martin altijd stoorde klinkt nu perfect en beide takes zijn verder ook niet meer zo extreem als verschillende delen te herkennen. Het is organischer. Maar waarom hebben ze het tellen voorafgaand aan de swarmandal-inzetten weggehaald? Dat hoort er gewoon bij.

‘Penny Lane’
Evenals de vorige song een iets oudere mix.
Het stereobeeld is prachtig. Een verbetering? Ik weet het niet, maar wel mooi. In de oorspronkelijke mix klinken de verschillende piano-partijen meer geklusterd waardoor in dat ene geluid het ene moment de ene piano-klank boven komt drijven, terwijl even later een andere klank meer aanwezig is. In de meer recente mix zijn de piano’s een beetje meer gescheiden. Iets meer links of centraal in het stereobeeld. Wel duidelijker omdat je als luisteraar zo beter hoort dat het meerdere piano’s zijn. Maar stiekem vind ik dit aspect in de oorspronkelijke mix heel, heel veel mooier. Detaillering staat niet altijd gelijk aan winst.

‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’
De stilte (1967 mix) van het begin in één kanaal heeft me altijd gestoord. Gek genoeg, na het een paar keer beluisteren van de 2017 mix mis ik deze stilte, waarna ik terug keer naar het oude vertrouwde. Maar na een paar keer stilte op één oor…..je raadt het al.

‘Come Together’
Ik wil het niet hebben over de voor- en nadelen van deze mix. Er is één ding dat me ongelooflijk stoort. In 1969 vindt een geïnspireerde Lennon het een goed idee om (zo goed als) te eindigen met een climax: ‘Come Together…..yeah…….Come Together Yeaeah……..Come Together……YEAEAEAH……Come Together…YEAEAEAEAEAEAEH!’. Nu klinkt er van alles mee. Een man die meer toegang tot het ongrijpbare van de inspiratie had dan wij allemaal bij elkaar, meer toegang ook dan Giles, heeft ooit een keuze gemaakt. Mocht hij al meer gedaan hebben dat eruit gefilterd is door Martin, heeft hij daarna gehoord dat het goed was en zijn ‘ok’ gegeven. Nu is die opbouw vestoord. Waarom? Waar is hier sprake van winst? Om Finkers nog maar eens aan te halen:
‘Mag dat?’ Ik vind dat dit coda in al zijn onbeduidendheid laat zien hoe belangrijk verantwoordelijkheidsgevoel is bij de mensen die de remix-werkzaamheden mogen uitvoeren.


Dus wat vind ik er van?
De jongere generaties moeten interesse houden in The Beatles. Een argument vóór de modernere mixen. Een goed argument. Maar mijn ervaring, vanuit mijn praktijk als muziekdocent is dat tieners die piano willen leren spelen de oudere popmuziek heel goed kennen. Veel van hen adoreren The Beatles. Vaak schaffen ze een platenspeler aan en weten de weg in de bakken met tweedehands vinyl in de winkels in de buurt te vinden.
Misschien moeten we als maatschappij ook eens kijken naar wat we jonge mensen aan willen bieden. Nogmaals; ik geniet van de nieuwe mixen, maar wel naast de oorspronkelijke. Uiteindelijk zijn de mixen van de bron onvervangbaar. Ondanks alle imperfecties. Ook de onvolkomenheden zijn onderdeel van de magie.

 

Ik ben blij met elke nieuwe luisterervaring. Het naast elkaar is geweldig. Elke mix heeft sterke en minder sterke kanten. De discografie van The Beatles bestaat uit een beperkt aantal albums, gecreëerd in pak ‘m beet acht jaar. Inmiddels doen wij, de eerste fans het er al meer dan vijftig jaar mee. De nieuwe luisterervaring is een geweldige aanvulling met alle plussen en minnen. Deze ervaring blaast ook het stof van de meer dan vertrouwde oorspronkelijke albums, die ik na het mogen beluisteren van elke nieuwe mix weer met heel, heel veel plezier beluister.
Ik hoop alleen dat alle albums ook tot in alle eeuwigheid in de oorspronkelijke mixen (liefst analoog) te koop blijven.