Schreeuwen

Schreeuwen

Hoe oud zou ze zijn? Ik schat zo rond de dertig. Als ze zestig zou zijn zou ze toch niet zo staan te gillen? Ze klinkt ook niet heel erg jóng. Ik houd het dus op dertig.
Elke keer weer vraag ik me af of ík het zou doen. Tegelijkertijd weet ik zeker dat ik, hoewel ik het gevoel onderschrijf, het nooit zou doen. Ze irriteert me bij elke keer beluisteren.
Ik kan me niet voorstellen dat Paul het kan waarderen. Het moet hem toch een gevoel geven van: ‘ja hoor, daar gaan we weer. Doe even normaal’.

‘I love you Paul!’ gilt ze, staand aan het podium in de winkel. ‘I love you!’ gilt Paul spottend terug. Went zoiets ooit? Voor het overgrote deel van de mensen is hij niet gewoon een man die zijn vak uitoefent; hij is ‘God’. Zelfs het Sir voor zijn naam dekt de lading niet.

In een tijd dat het concert-gebeuren in de popmuziek nog in de kinderschoenen stond traden The Beatles op met ultra korte sets en totaal inadequate versterkers. En alsof dat nog niet genoeg was, werd het beetje klank dat ze voortbrachten overschreeuwd door de groep aanwezige tieners.
Af en toe zoek ik live-opnames via YouTube met het vaste voornemen ze nu eens echt te beluisteren. Even zo vaak haak ik al na een paar minuten af. Wat een ellende. Wat een helse situatie.

Na jaren overal en nergens te hebben gespeeld onder begeleiding van wat George Martin ooit vergeleek met het geluid van een vliegtuigmotor, volgt een periode zonder optredens.
Bij Paul begint het al snel te kriebelen. Je staat er niet bij stil, maar eigenlijk is dat wel gek. De liefde voor musiceren op een podium voor een groep fans moet wel erg diep zitten als je na de ellende van de eerste helft (iets meer) van de jaren zestig nog vóór het uiteenvallen van de groep zoekt naar mogelijkheden om die podia opnieuw te beklimmen.

‘I love you Paul!’
Ze schreeuwt het staand in de Amoeba winkel waar McCartney en zijn band optreden om ‘Memory Almost Full’ te promoten. Één van de zogenaamde secret gigs.
Ik vraag me wel eens af hoe hij zichzelf ziet. Is het, als je niet over straat kunt zonder dat er iemand kwijlend aan je voeten ligt, nog mogelijk om gewoon echtgenoot, vader, opa te zijn? Komt roem met een uitknop?

In 2019 verscheen het concert in de Amoeba winkel eindelijk op vinyl en cd.
Het plezier spat ervan af. Een concert waarbij er ruimte is voor een iets(!) vrijere benadering van de solo’s e.d.
Daarin schuilt voor mij één van de meest fascinerende aspecten van het verschijnsel ‘live-album’ bij McCartney; de afwisseling van nootgetrouwe uitvoeringen met momenten/periodes waarbij hij kiest voor een meer improvisatorische benadering. Daarnaast speelt natuurlijk mee dat een tour niet zelden wordt gepland om een nieuw album te promoten waardoor er tijdens zo’n tour aandacht is voor een aantal songs dat alleen gedurende die ene tour live te beluisteren zal zijn.
Het gaat me wat het eerst genoemde aspect betreft niet zozeer om de vergelijking, als om het naast elkaar. Overbekend materiaal beluisteren zoals je het tot in detail kent, naast hetzelfde materiaal beluisteren op een frisse manier. Het feest van de herkenning naast het genieten van spontaniteit tijdens het musiceren.

Bij een band als ‘The Allman Brothers Band’ zijn de live-opnamen misschien wel interessanter dan de studio-albums. Bij andere artiesten werpen live-opnamen vaak weer een nieuw licht op songs. Het gebeurt nog wel eens dat ik een song niet kan waarderen tot ik een live-opname heb gehoord. Met een: ‘Ah! Zo is dat bedoeld!’ tot gevolg.

Over het algemeen blijft McCartney live zo dicht mogelijk bij de interpretatie en het arrangement van zijn songs op de studio-albums, tot aan de letterlijk (‘notelijk’) gereproduceerde soli. Af en toe verandert hij een arrangement (b.v. bij ‘Here, There and Everywhere’), of een akkoord (‘Every Night’), maar de album-solo’s zijn heilig. Een uitzondering vormt ‘Tripping The Live Fantastic’. Hier vind je wél veel vrijheden t.a.v. de soli. ‘Amoeba’ zweeft daar een beetje tussen. Er is ruimte maar niet overdreven veel.

‘The End Of The End’.
Na het bekijken van een aantal filmpjes op YouTube van zijn ‘Got Back’ tour vroeg ik me af of het moment niet bereikt was waarop hij afbreuk begon te doen aan zijn eigen legende. De stem is al jaren weg, maar hij zag er tijdens veel van die shows ook oud en vermoeid uit.
Een concertervaring bestaat natuurlijk uit veel meer dan alleen de geboden muzikale kwaliteit, maar hier leek dat wat nog in orde was datgene waar de sleet op zat niet meer voldoende te compenseren.

En toen kwam Glastonbury. Hoe hij het deed, deed hij het, maar weg was de oude man, weg was het gewicht van jaren. Zijn stem was natuurlijk ver verwijderd van de kwaliteiten die die stem in de jaren 70 had, maar jeetje, wat was hij ook in dat opzicht goed!
Een tachtigjarige die zelfs bij benadering geen tachtig leek.

Maar ja; hij is natuurlijk wél tachtig en bijgevolg de langste tijd onder ons geweest.
Verandert er iets op het moment dat hij er niet meer is? Nee natuurlijk niet. Mijn leven zal er nog precies zo uitzien.
Strikt genomen doet het er niet toe dat hij dan niet meer ergens rond zal lopen, dat er geen nieuwe muziek meer zal verschijnen. Hij heeft immers al meer dan genoeg nagelaten.

En toch zal niets in mijn wereld nog hetzelfde zijn.
Hij is er tot nu toe immers altijd geweest. Hij was en is mijn ‘go to person’ voor instant geluk. Zijn muziek klinkt dagelijks in mijn hoofd, ook op momenten dat ik er niet naar luister.
Ik vind in zijn muziek de voorbeelden als ik leerlingen uit wil leggen hoe iets muzikaal gezien het best, het mooist, het meest geniaal werkt.
Vaak beginnen ze al te lachen als ik begin met: ‘Een voorbeeld hiervan vind je ook bij……’ Maar laten we eerlijk zijn; waar vind je betere harmonische- en melodische voorbeelden dan bij de meester zelf?

Klinkt het puberaal als ik zeg dat hij mijn verpersoonlijkte relativering is? Er kan iets in het leven gebeuren dat misschien minder leuk is. Dan is er altijd een ‘ach Hij is er ook nog. Zijn muziek is er, dus wat doet dit ertoe’. In die zin begrijp ik de vrouw aan het podium met haar: ‘I Love You Paul.’ Ik zou het ook kunnen roepen. Maar ik weet ook dat ik het nooit zou doen. Mijn Halfgod is immers ook maar een mens en adoratie lijkt me behoorlijk vermoeiend voor degene die het moet ondergaan.

Heruitgave

Heruitgave 1

Na het eindeloos uitbrengen van heruitgaven die je om welke reden dan ook volgens de hype niet mag missen, komt er een moment waarop zelfs de grootste fan de belangstelling verliest. Een geremasterde versie van een remaster van een remaster? Mag ik deze overslaan? Dan helpt zelfs een reeks cijfers op de achterkant gedrukt waarmee men de exclusiviteit van een ‘limited edition’ voorspiegelt niet meer. En afgelopen week heeft McCartney zichzelf een verjaardagscadeau gegeven; een boxset uitgave van de drie ‘McCartney’-albums. Geen extra’s, alleen een zoveelste kleurtje, dus in feite betaal je €120,00 voor een slipcase. Dit is wat mij betreft het dieptepunt in het heruitgave-gebeuren.

Remaster na remaster, het zal wel, maar de grootheden van de jaren 60 waren niet gek. George Martin, Geoff Emerick, Harry Moss, om er maar een paar te noemen; namen die nog steeds voor kwaliteit staan.

Is er dus, naast de behoefte telkens weer geld te verdienen aan al ontelbaar vaak heruitgegeven albums, een zinnige reden te bedenken voor de stroom heruitgaven van dezelfde muziek?
Nu de periode van de kroonjaren is aangebroken voor het erfgoed van de eerste decennia van de popmuziek, is het tijd voor jubileumuitgaven met een vracht aan extra’s. Outtakes, live-opnamen, boekwerken en wat al niet meer verzameld in lijvige boxsets. Zelfs de tot voor enkele jaren hermetisch gesloten deuren van het Beatles-archief staan op een kier.

Inmiddels staat de heruitgaventeller voor The Beatles op vier. Vier prachtige boxsets met veel tot voor kort onbekend materiaal. Maar elke box bevat ook materiaal dat via het bootleg-circuit al bekend was. Men heeft duidelijk van de gelegenheid gebruik willen maken om de bootleggers de financiële wind uit de zeilen te nemen. Een begrijpelijke keuze. Een keuze ook die George Harrison plezier zou hebben gedaan. Het was hem een doorn in het oog dat buitenstaanders geld aan The Beatles verdienden.

Boeken, outtakes en een nieuwe veel besproken mix voor elk album van de hand van Giles Martin. Mixen die naast positieve reacties ook negatieve reacties uitlokken.
Het blijft moeilijk een nieuwe mix te beoordelen als de oude na decennia beluisteren zo in je systeem verankerd zit. Zo zijn er bijvoorbeeld veel Amerikanen die de US-versies van Beatles-albums veel mooier vinden dan de UK-originelen. En dat ondanks fake-stereo en folddown-mono. Om maar te zwijgen over de dot galm waarin alles verdrinkt of het gesjoemel met track-volgordes. Ik denk dat het objectief gezien niet voor de hand ligt om de US albums hoger aan te slaan dan de UK albums, nog los van het feit dat laatst genoemde een weergave zijn van wat The Fab Four zelf voor ogen hadden. Maar ja; objectiviteit is het eerste slachtoffer zodra jeugdsentiment in het spel komt.

Wat de nieuwe mixen betreft; ik ben blij met elke kans om het oude vertrouwde (op)nieuw te beleven. Als ik ergens in een mix iets nieuws ontdek, loont het wat mij betreft. Het is geen of/of, maar een en/en. Andrew Dixon heeft een item geplaatst op zijn YouTube-kanaal over vijf jaar heruitgaven van Beatlesalbums in boxsets met daarbij o.a. aandacht voor de Giles Martin mix. Hij beschrijft hoe hij meerdere versies van ‘Pepper’ heeft (stereo, mono, de G. Martin mix). Elke keer na het beluisteren van één van die versies denkt hij dat hij zojuist de ultieme versie gehoord heeft. Beluistert hij vervolgens een andere versie weet hij het zeker: mooier dan bij deze versie wordt het niet. Dat is ook hoe ik het ervaar. Het is een manier om de muziek die je meer dan kent toch ‘als nieuw’ te ervaren. Giles Martin heeft daarbij volgens mij vrijelijk gebruik gemaakt van wat er in de archieven van EMI ligt, want met regelmaat klinken er dingen die zó niet op de oorspronkelijke stereo-versies van de albums staan. Kleine, nauwelijks opvallende dingen, maar toch.

De kritiek op deze mixen richt zich voor een deel op het (te) zwaar aanzetten van de bas. Waar de jaren 60 een technisch bepaald maximum kenden waar het gaat om de weergave van Pauls bas doordat teveel bas de naald uit de groef zou wippen op de nu niet bepaald HiFi platenspelers van die tijd, kan Giles de bas boosten tot in het oneindige. Ik weet niet hoe ik het zou vinden als zijn mix de enige zou zijn, maar nu ik meerdere mixen kan beluisteren, ervaar ik de duidelijke aanwezigheid van McCartney’s bas bij hem als prettig. Het is geen straf om deze melodieuze, inventieve baslijnen een keer zo dragend in de mix te horen.

Naast The Beatles-boxsets is er voor ‘ons kamp’ natuurlijk nog de ‘Paul McCartney Archive Collection’. Met name de super deluxe boxsets bieden een overdaad aan materiaal. Boeken, foto’s, facsimile’s van teksten, beeldmateriaal op dvd etc. De cd’s met extra’s zijn wisselend. In de ene boxset zijn ze gevuld met veel prachtig materiaal zoals singles, outtakes, live-opnames etc. In een andere box bieden ze vrij weinig.

Minder interessant waar het gaat om de bonus-cd’s zijn wat mij betreft de box van Wild Life en die horend bij Wings at the Speed of Sound. Begrijp me niet verkeerd; als geheel zijn beide boxsets geweldig, maar het bonusmateriaal is niet het meest interessante uit de serie. Met name laatst genoemde blinkt uit in weinig wat betreft kwantiteit en zo mogelijk nog minder waar het gaat om kwaliteit. Wild Life heeft in ieder geval nog een Rough Mixes cd. Niet onmisbaar, maar al met al zeker het beluisteren waard.

Overigens is het niet zo gek dat Wild Life een karig overzicht biedt waar het gaat om extra’s. Het is een met ‘the speed of sound’ opgenomen album. Er zal idd weinig ongebruikt gebleven zijn. De opnamen voor At The Speed of Sound namen zes weken in beslag. Ook niet overdreven lang, hoewel McCartney zegt dat dat album sneller had kunnen worden opgenomen (but we didn’t want to rush it).

Een box die ook wat betreft de outtakes veel te bieden heeft is Flowers in The Dirt.
In deze box vind je o.a. twee cd’s met demo’s van songs geschreven en opgenomen met Elvis Costello. Twee keer dezelfde demo’s in verschillende stadia van ontwikkeling. Een deel van die songs vond een plek op albums van Elvis Costello.
Zo ook het nummer Playboy to a Man. Dit maakt het mogelijk om, bij alles wat (grotendeels) gelijk is in beide uitvoeringen (tekst, melodie, harmonisatie) te genieten van de verschillen.
Een leuke bezigheid, waarbij het hier opvalt dat de giftige tekst bij Costello een veel bijtender vertolking krijgt dan bij McCartney. Costello gaf het nummer een plekje op zijn album Mighty Like a Rose (1991). Playboy krijgt op een album dat qua stijl wel iets McCartney-achtigs heeft een typisch vintage Costello sausje. Een snijdende uitvoering compleet met archaïsch klinkend orgeltje. Je krijgt (net als bij Dylan’s Like a Rolling Stone) bijna medelijden met de hoofdpersoon van het liedje.

En Paul? Ach, aartsoptimist McCartney klinkt eigenlijk altijd vriendelijk. Zelfs Too Many People is bovenal toegankelijke pop. Press to Play is denk ik het enige album dat een echt agressieve McCartney laat horen in o.a. Angry. Maar dat is op z’n zachtst gezegd een atypisch album. Playboy to a Man klinkt in zijn handen wollig en op een bepaalde manier zelfs warm.

En nu lijkt het erop dat London Town en Back to the Egg de volgende albums worden in de Archive Collection. Dit zijn zeker geen topalbums in de discografie van McCartney, hoewel ik moet bekennen dat ik een zwak heb voor ‘Egg’ en massa’s goede herinneringen aan de release van London Town, maar misschien verandert de kijk op deze laatste Wings-albums na het beluisteren van (hopelijk) een vracht outtakes. Een beetje zoals de dubbel-lp reconstructie van ‘Red Rose Speedway’ voor mij het destijds uitgegeven album in een ander licht plaatste, vooral doordat de balans tussen ballads en het wat steviger werk beter werd.

We zullen zien. Ik merk in ieder geval dat, waar ik aanvankelijk de outtakes in de boxen van The Beatles en McCartney slechts af en toe beluisterde omdat ik liever het overbekende album nog een keer beluisterde, tegenwoordig steeds vaker de extra’s beluister omdat het door deze extra’s mogelijk is ‘meer van hetzelfde maar dan net even anders’ te beluisteren.

Bij The Beatles speelt dan toch een variatie op het boven beschreven US-albums sentiment mee ben ik bang. De overbekende oorspronkelijke albums zijn zo verweven met mijn DNA dat het beluisteren van alternatieven ongemakkelijk voelde. Gewoon jeugdsentiment dus. Maar ik slaag er steeds beter in om die emotie in de wacht te zetten waardoor ik meer en meer open sta voor de schoonheid van de keuzemogelijkheden, of het nu een mix-variatie, een andere versie van een nummer, of een nummer betreft dat het album nooit gehaald heeft.
Kortom: leve de jubileumuitgave en leve de Archive Collection.

In deel 2 aandacht voor de Lennon boxsets Imagine en Plastic Ono Band.

Houdbaarheidsdatum

Houdbaar-
heidsdatum

‘Dit is het enige boek dat ik kan lezen waarbij ik denk; ja zo was het.’ Lof van Keith Richards voor het boek ‘The True Adventures of The Rolling Stones’ van Stanley Booth.
Stanley trok eind 1969 met de Stones door Amerika tijdens de tour die zou eindigen met het drama van Altamont. Het boek lezend krijg ik, decennia later, in mijn nette, overzichtelijk ingerichte huis nog kriebels. Het woord chaos dekt zelfs bij benadering de lading niet. Wat een ellende voor Booth alleen al om groen licht van de Stones te krijgen voor het schrijven van zijn boek. Dat de heren erin geslaagd zijn vanuit deze totale chaos een serie memorabele concerten te geven en na afloop van de tour ook nog eens een fantastisch livealbum uit de opnamen hebben kunnen destilleren, mag een wonder genoemd worden.

Stanley Booth hoort gedurende de duur van de tour min of meer tot de ‘inner circle’. Dat stelt hem in staat om met regelmaat gesprekken te voeren met de bandleden. Gesprekken, geen interviews. Booth’s informele ‘go with the flow’ benadering levert menig openhartig gesprek op waarbij zelfs Jagger af en toe iets van zijn diepere gedachten en gevoelens deelt.
Tijdens zo’n informeel gesprek met Mick Jagger vraagt Stanley hem hoe hij de toekomst ziet.
Mick heeft geen idee. Hij weet alleen héél zeker dat ze dit niet tot in lengte van dagen kunnen blijven doen. Bassist Bill Wyman wordt immers binnenkort al dertig! Popmuziek is iets van de jeugd. Het is op dat moment ondenkbaar dat de mannen tot ‘het einde der tijden’ op een podium zullen staan om een zaal vol mensen te vermaken.

Ergens in de beginperiode wordt aan The Beatles gevraagd hoe zij de toekomst zien. Paul denkt altijd liedjes te zullen blijven schrijven, maar ook volgens the Fab Four kleeft er een houdbaarheidsdatum aan het bandgebeuren. Zo zien ze zich als veertigers niet meer ‘She Loves You’ voor een zaal vol tieners spelen.
De generatie die aan de wieg heeft gestaan van de popmuziek, moest het doen zonder voorbeelden die hen in jaren ver vooruit gingen. De helden van de jaren zestig wisten niet beter of ze waren afhankelijk van de vluchtige adoratie van de jeugd. Vandaag stonden ze op een voetstuk, morgen zou er iemand anders staan. De vaders en moeders van de eerste fans wisten het zeker: dit was geen muziek. Dit kon geen blijvende waarde hebben. De helden van het eerste uur leken het terugkijkend zelf ook te geloven.

De enkele voorbeelden uit de jaren vijftig die hen voor waren gegaan, boden weinig houvast. Ze verongelukten voor ze oud konden worden (Buddy Holly), trouwden met dertienjarige meisjes (J.L. Lewis) wat de carrière geen goed deed, of verloren het heilig vuur door verkeerd management en stimulerende middelen (Elvis). Hoe hadden de helden van de jaren zestig kunnen vermoeden dat ze niet alleen het decennium zouden overleven, maar zelfs in het nieuwe millennium nog actief zouden zijn.

En opeens wordt podiumbeest Paul McCartney nu tachtig! Tachtig en hij doet nog altijd datgene waarvan de twintigjarige Paul dacht dat hij het met veertig al niet meer zou doen. Hij maakt nog steeds nieuwe albums, staat nog altijd op de grote podia van de wereld en heeft naast de schare fans die samen met hem ouder geworden is, in elk nieuw decennium een deel van de jeugd aan zijn voeten gekregen.

De meeste mensen koesteren het verleden. Ik in ieder geval wel. Het verleden van het individu vindt een veilig thuis in verzamelingen foto’s en herinneringen. Het gedeelde verleden van de massa wordt ondergebracht in musea, vindt een plek in boeken, komt tot klinken in concerten. Zo wordt de herinnering aan muzikale grootheden als J.S. Bach en W.A. Mozart levend gehouden op geluidsdragers en in concertuitvoeringen.
Het mooie is nu dat de beste muziek van de jaren zestig en zeventig, muziek die in eerste instantie gezien werd als zeer vluchtig, muziek die zeker niet bestand zou blijken te zijn tegen de tand des tijds, inmiddels een plek heeft veroverd in genoemd concertcircuit; de uitvoering van hun muziek door anderen. Her Majesty en The Analogues b.v. trekken volle zalen met het werk van respectievelijk Crosby, Stills, Nash & Young en The Beatles. De muziek waarvan gedacht werd dat ze met het volwassen worden van de doelgroep in de vergetelheid zou geraken, is de concertmuziek van vandaag geworden.

Paul McCartney tachtig. Tachtig ‘and still going strong.’ Een leeftijd waarop je één ding zeker weet: er ligt meer achter hem dan voor hem. Ik probeer het me wel eens voor te stellen: een wereld zonder nog levende Beatles. Ik kan me er niets bij voorstellen. Eigenlijk net zo min als ik iets kan met het begrip tachtigjarige in relatie tot Paul. Zodra Band on the Run op de draaitafel ligt is McCartney voor mij weer de begin dertiger die bezig is het jaren 60 trucje te herhalen, maar nu met Wings. Deze versie van McCartney, de held van mijn tienerjaren leeft nog steeds. Hij bestaat naast Sir Paul.
Als ik naar recente concertopnamen kijk zie ik achter de zichtbare veroudering nog steeds de jonge halfgod van lang geleden. Zodra hij muziek maakt lijken de jaren van hem af te glijden. De stem mag dan weg zijn, de jongeman achter de man op leeftijd is er nog steeds.

Een wereld, hopelijk nog ver weg, zonder levende Beatles. Ik wil en kan het me niet voorstellen, maar ach, eigenlijk hoeft dat ook niet. Als de jonge Paul van b.v. Ram nog bestaat naast de Paul van McCartney III, moet hij wel het eeuwig leven hebben. En wat is nu tachtig jaar op de eeuwigheid?
Van harte Paul en nog vele jaren.

Come Together

Come
Together

Enige jaren geleden verliet ik aan het eind van een zonnige maandagochtend de ruimte waarin ik zojuist een aantal uren pianoles had gegeven. De kermis was weer eens neergestreken in ons dorp, waardoor de terrasjes al vóór het middaguur gezellig vol zaten. Het pad van de lesruimte naar de straat loopt parallel aan één van die terrasjes. Uit grote speakers klonk muziek. ‘Hey, dat is een lekker nummer!’ dacht ik. Het duurde even voor ik me bewust werd van het feit dat ik naar Come Together van The Beatles luisterde. Al decennia lang één van mijn favorieten in het Beatles-oeuvre. Het voelde goed om weer even tegen het kennismakingsgevoel aan te schuren. De eigenlijke kennismaking ligt nl. in een grijs verleden. Zo grijs dat het bijna een “Er was eens….” lading krijgt.

Als tiener kwam ik Abbey Road bij elk bezoek aan ‘mijn’ platenzaak in de bakken tegen. Elke keer weer diepte ik het tussen de andere albums op om de hoes te bestuderen. De eerste keer dacht ik dat het een album van een andere groep was. Ik wilde het terugzetten in de goede bak onder de naam van de juiste band. Die langharige gasten leken in niets op de jongens van de foto op de hoes van Beatles For Sale. De tweede van links zou McCartney kunnen zijn, maar die andere rare, harige mannen; bah nee, dat was niet ‘mijn’ groep. Maar ja, toen ik het album die eerste keer omdraaide bleek het woord ‘Beatles’ op de achterkant niet te missen. Het moest dus wel een album van The Fab Four zijn. Wat was er met hen gebeurd?

Zolang er nog andere albums van de heren waren waaraan ik mijn geld kon uitgeven, zou ik dit album laten staan. Dat was beslist niet aan mij besteed zo meende ik op basis van de hoesfoto te mogen constateren.

In het tempo waarin ik lp’s kocht duurde het niet lang voordat er geen ontkomen meer aan was; als ik mijn collectie wilde uitbreiden, zou ik dit keer echt Abbey Road mee moeten nemen.
Met de lp in een plastic tas bungelend aan mijn fietsstuur naar huis fietsend spookten er twee vragen door mijn hoofd: zou het een album zijn dat ik zou kunnen leren waarderen? En; hoe hadden ze in vredesnaam al die songs op kant twee geperst? Dat kon toch niet waar zijn? Tien titels op de hoes maal ergens tussen de twee en drie minuten minstens (daar ging ik op basis van de andere albums van uit); dat paste nooit!

Bij de eerder aangeschafte albums van The Beatles had ik voorafgaand aan de eerste keer beluisteren last van behoorlijk veel stress. Het was dan ook niet zomaar iets; telkens zou een tot dat moment grote onbekende zijn geheimen prijsgeven. Een bijna heilig moment. Een betovering die met de komst van streaming-diensten verloren is gegaan: weg is de magie van het zoeken in platenbakken. Verdwenen zijn de nieuwsgierigheid en het verlangen naar het onbekende album dat je alleen nog van foto’s of uit de bakken kent. Albums waarvoor je gewoon het geld nog niet bij elkaar had gespaard. In eerste instantie onbetaalbare platen hebben terugkijkend voor onbetaalbare herinneringen gezorgd.
Maar voorafgaand aan de eerste keer beluisteren van Abbey Road was er sprake van gelatenheid; hopelijk viel het mee. Ik verwachtte er in ieder geval niet veel van.

Met de hoofdtelefoon al over de oren geschoven liet ik de naald van de platenspeler van mijn ouders langzaam richting de inloopgroef zakken. Ik had nauwelijks tijd om in de draaistoel links van de stereoinstallatie te gaan zitten. Al na twee tellen wist ik dat ik dit album veel eerder had moeten kopen. ‘Shoot me!’ siste Lennon. Daaronder legde de bas van McCartney via een omweg de afstand van een octaaf af, om dit octaaf vrijwel direct middels een glissando weer te verlaten. En wat te denken van Ringo’s opvallende drumpatroon? Wat gebeurde hier toch? Veel te vroeg kwam er een eind aan deze ervaring. Er zou een topnummer volgen, maar dat wist ik nog niet. Something zou nog even onbekend moeten blijven: de naald moest terug naar de inloopgroef: dit wilde ik nog een keer horen en nog een keer en nog een keer. Dat brengt me op nog een verarming die samenhangt met de komst van streamingdiensten: door het fenomeen playlist is de kans groot dat jongeren de kennismaking met integrale albums inwisselen voor een kennismaking met een willekeur aan losse nummers.

In de serie McCartney 3,2,1, vertelt Paul dat Come Together door John werd geïntroduceerd als een soort Chuck Berry song. Hij laat nog even horen hoe het geklonken zou hebben als het hierbij gebleven zou zijn. Ik weet zeker dat ik dan Something veel eerder zou hebben leren kennen. De naald had zijn weg door de groeven ononderbroken mogen vervolgen. Wat een verschil. Die gitaren en de zompige elektrische piano tegen het een beetje slepende ‘vier in de maat’ van Ringo op de floor tom. Waanzin. Wat een vondst.

In genoemde serie heeft McCartney het met regelmaat over akkoorden. De meeste akkoorden noemt hij bij naam maar voor de wat complexere akkoorden gebruikt hij af en toe de namen die de vier heren er destijds aan hebben gegeven. Zo noemt hij een F7#9 een F demented chord (met een knipoog natuurlijk). Dit is een dominant septiemakkoord met toevoeging van een vijfde noot; de verhoogde 9e toon. Een #9 is enharmonisch gelijk aan de mineurterts van een akkoord. Dat wil zeggen dat je bij F7#9 zowel een a als een as (eigenlijk een gis) hoort.

Het eerste akkoord van Come Together zou zo’n ‘demented chord’ kunnen(!) zijn: D7#9. Dat wil zeggen: het meest nauwkeurige boek met alles van The Beatles in partituur geeft het openingsakkoord als D7#9. Maar uiteindelijk klinkt de fis niet tegelijk met de f. De bas b.v. bereikt zijn octaaf via een niet oplossende 4-3 voorhouding gevolgd door de een octaaf hoger gelegen f. De f waarop de zang inzet (John) is een bluenote. Dit melodielijntje beweegt zich nl. rond de kerntonen van de pentatonische bluestoonladder. De bluenotes c (verlaagd VII) en f (verlaagd III) vormen het hart van de melodie van de verzen. De fis klinkt wél bij het A akkoord in een typische blues/boogie begeleiding door de afwisseling van kwint en sext. In d mineur gedacht is het openingsakkoord een dm7 akkoord. Musicoloog D. Pedler kiest in zijn analyses voor een notatie met twee kruizen aan de sleutel, maar hij benoemt het eerste akkoord als dm7.

Er is veel voor te zeggen om de verzen van Come Together als in d mineur geschreven te zien. De notatie in D met twee kruizen aan de sleutel en tijdens de coupletten een herstellingsteken voor elke terts is ook niet onlogisch; dit is pure blues. Daarnaast is er sprake van een mooie ‘bijwerking’; je verwacht D majeur (op basis van de notatie), maar de eerste tijd klinkt d mineur. Pas bij het refrein klinkt eindelijk de verwachtte fis.
Het mooie is daarbij dat als die bevrijding komt dat gebeurt boven een b mineur akkoord. De fis is hier niet de lang verwachte grote terts van D maar duikt op als de kwint van b mineur. Een prachtige vondst; bevrijding door de verheffing van de f maar toch weer met een vertroebeling door het nieuwe mineur. En natuurlijk werkt de fis van het refrein puur auditief ook als bevrijdend met een randje. Het komt er gewoon op neer dat ik een voorkeur heb voor een overkoepelende, verbindende gedachte van waaruit de muzikale reis naar ‘nevengebieden’ ondernomen kan worden. En laten we wel wezen: vanuit D gedacht is een refrein in bm veel meer voor de hand liggend dan vanuit dm. Ach, wat maakt het uit; het werkt fantastisch.

En dan die tekst. Waar ging dat over? Het mooie van de onzin-teksten van Lennon zit hem voor mij in het feit dat ze lopen als een trein en je een ‘maar natuurlijk; hij heeft gelijk’ gevoel geven, zelfs waar het de totale waanzin van I am the Walrus betreft. ‘Walrus’ heeft een tekstuele ritmiek waar menig rapper een voorbeeld aan kan nemen; wat loopt dat ongelooflijk lekker!

Één van de theorieën waarin geprobeerd wordt Come Together te duiden zegt dat het een schildering is van de vier leden van de groep. De Holy Roller zou George zijn, John de Spinal cracker/ Bag Production. Spinal vanwege zijn recente auto-ongeluk. Paul: good looking/ Muddy Waters. Ringo is in deze interpretatie moeilijker te duiden.

Zoals bij elk in mijn tienerjaren aangeschaft album staan de koop en het eerste beluisteren van Abbey Road in mijn geheugen gegrift. Destijds voelde de periode van sparen tot ik voldoende geld voor de aanschaf van een album had als een ramp. Terugkijkend is het een zegen. De week of weken wachten met bijbehorende ‘voorpret’ (die zich destijds deed gelden als onrust) hebben zich terugbetaald in decennia lang ‘na-pret’.

Charlie Chaplin

Charlie
Chaplin

Ik heb zijn boek zo ongeveer op de dag van verschijnen gekocht. Ergens in 2012. Na aankoop belandde het in een boekenkast, waarna ik het op gezette tijden van de plank nam met het vaste voornemen het nu eens uit te lezen en telkens weer zette ik het na een paar dagen ongelezen terug; ‘Waging Heavy Peace’ van Neil Young.

Ik houd van de muziek van Neil Young, maar het verhaal achter zijn muziek interesseert me, zo merkte ik, niet genoeg om dit eerste deel van zijn autobiografie te lezen.
Afgezien van de output op Geffen-records (1982-1987) vind ik alles prachtig van de man: van zijn soms dicht langs de grens van kitsch scherende country-songs (o.a. de albums ‘Comes a Time’ en ‘Harvest Moon’), tot zijn rafelig scheppen met Crazy Horse. Eindeloos uitgesponnen improvisaties die niet zelden gedurende fases richtingloos zijn. Een richtingloos zoeken naar een volgende ingang tot een magische ontwikkeling. Waar de meeste gitaarsolo’s van andere popmusici uitgebalanceerd zijn (zelfs de meest far-out impro van Hendrix heeft navolgbare ontwikkelingslijnen), lijkt Young al spelend de luisteraar deelgenoot te maken van zijn zoeken tot het moment waarop de geest van inspiratie weer uit de fles komt. En toch kunnen deze improvisaties met alle feedback en distortion mij niet lang genoeg duren.
Maar bij alles wat ik fantastisch vind aan zijn muziek; Neil kan voor mij niet tippen aan The Beatles. Ongetwijfeld speelt het feit dat ik The Fab Four als tiener heb leren kennen en Young pas veel later, een rol bij deze voorkeur.

Maar goed, het boek. Onlangs waagde ik weer een poging en zowaar; ik haalde blz 20 alwaar Neil het heeft over zijn goede vriend Paul. In dezelfde alinea vertelt hij dat Linda ook altijd een geweldige, lieve vrouw was. Mocht er nog twijfel zijn; dat ‘was’ doet het hem; zijn goede vriend Paul moet wel mijn idool McCartney zijn. Ik wist dat de heren al eens samen op een podium hebben gestaan, maar dat ze zelfs maar kennissen zouden zijn, laat staan goede vrienden was mij totaal onbekend.

De passage over Paul bestrijkt ongeveer een halve bladzijde. Aan het eind van de aan McCartney gewijde woorden schrijft Neil dat Paul hem een beetje aan Charlie Chaplin doet denken. Een vergelijking die zowel liefdevol als kleinerend kan zijn. Na alle voorafgaande mooie woorden over Paul koos ik ervoor om niet te twijfelen aan Neils oprechtheid; hij zou ongetwijfeld een zwak voor McCartney hebben. De vergelijking moest wel positief bedoeld zijn.

Ik moet overigens bekennen dat ik, kijkend naar foto’s van McCartney uit de jaren tachtig in zekere zin de Chaplin-vergelijking wel begrijp. Op sommige foto’s heeft Paul iets van ‘je ongelooflijk gezellige vrijgezelle oom’. Met name op een aantal afbeeldingen in de boeken van de boxsets uit de archive-collection lijkt hij in niets op de superster van de jaren zestig en zeventig. Veel foto’s in die boeken zijn natuurlijk privé kiekjes en zeker niet de gecomponeerde plaatjes die de ster voor het voetlicht moeten brengen in al zijn stralend onwerkelijke perfectie.

McCartney is een veelzijdig musicus. Tijdens het lezen van zijn ‘biografie in songteksten’ (The Lyrics) valt meerdere keren tussen de regels door te lezen dat hij echt wel veel meer weet over akkoorden, stijlen en harmonische verbindingen dan hij in menig interview wil doen geloven. Het is zeker niet allemaal intuïtief creatief, maar komt voort uit een diep inzicht in de materie. Hij is natuurlijk ook de man uit wiens brein de ideeën voor een paar van de meest iconische albumcovers zijn voortgekomen; Pepper, Abbey Road, Band on The Run. Hij lijkt geen enkele beperking te kennen waar het gaat om openheid naar het onverklaarbare van de inspiratie.

Maar naast het muzikale gezicht, naast de superster-kant is er altijd die andere kant geweest. De zelfbewuste ‘cute’ Beatle, het speelbeest, na de hel van de Beatles-concerten al in 1969 terugverlangend naar het podium, de bandleider die met Wings de wereld opnieuw aan zijn voeten kreeg, heeft ook altijd een huiselijke kant gehad.

Kijkend naar foto’s en lezend in het boek over Ram in de archive-box zie ik een popmusicus, een wereldster die op zijn boerderij in Schotland schapen scheert, Hij is en blijft een ster die nu alleen even iets anders doet dan ster zijn. Moet kunnen toch?
Lezend in het boek uit dezelfde serie horend bij ‘Wings Over America’ zie ik een vader die tijdens de pauzemomenten van de tour ravot met zijn kinderen. De man die werk en privé zo goed mogelijk probeert te combineren. McCartney is voor de buitenwereld vooral een ster en slechts zijdelings familieman. Hij is allesbehalve een Charlie Chaplin.

In de jaren tachtig verschuift het beeld dat hij uitstraalt op de foto’s in de boeken een beetje. Misschien speelt hierbij een rol dat zijn generatie al doende moest uitvinden hoe de popster op leeftijd (veertig was destijds oud voor een popartiest) zich zou moeten gedragen. Op mij maakt hij dan de indruk van een familieman die ook nog muziek maakt. De vrijgezelle, vriendelijke oom, ja misschien zelfs de Charlie Chaplin die Neil Young in hem ziet. Nu helpt die maffe mode natuurlijk ook niet; oversized Pipo de Clown pakken.
Vanaf het moment dat McCartney weer gaat touren, het moment ook waarop het jaren ’70 matje in zijn nek in ere wordt hersteld, wordt hij weer meer de popmusicus, de wereldster. Hij lijkt zichzelf opnieuw te hebben uitgevonden. Of misschien is hij ook gewoon meer in zijn element als hij met regelmaat muziek mag maken voor een mensenmassa gillend en huilend aan zijn voeten. En anders dan Neil Young kun je hem (even afgezien van de typische McCartney-stijl dingen) niet betrappen op het recyclen van oude ideeën op zijn nieuwe(re) albums. Waar je bij Young de laatste jaren nog wel eens een opgewarmde melodie of vaker gebruikte harmonische passage vindt, blijft McCartney, hoewel stilistisch herkenbaar, nieuwe melodieën onttrekken aan steeds weer dezelfde overbekende noten. De momenten waarbij hij zijn alledaagse bezigheden d.mv. die eeuwenoude reeks noten, op een eigen, nieuwe manier gerangschikt, bezingt, zijn vaak nog steeds van grote schoonheid.

Op een foto in het boek van de deluxe-uitgave van ‘Wild Life’ loopt een kleine Mary gekleed in een rode tuinbroek met een geel plastic speelgoedgietertje over haar schouder achter McCartney en twee honden aan. Hond Martha loopt naast Paul waarbij zijn linkerarm door de loopbewegingen op de foto gevangen is boven Martha. Vóór hen een houten hek; de toegang tot een weide. Geen superster, geen musicus. Gewoon een man, thuis op zijn dan nog primitieve boerderij.
Lennon vond dat zijn muziek moest gaan over zijn leven en het stoorde hem dat Paul dat anders zag. Maar is dat wel zo?

Paul, de musicus die ook in het primitieve bestaan op zijn boerderij in Schotland muziek vindt.
McCartney op zijn boerderij. Het alledaagse van simpele bezigheden getoonzet zoals alleen hij dat kan. Niks Charlie Chaplin, niks vrijgezelle oom. Gewoon een ster die zich duidelijk op zijn gemak voelt met wie hij, voorbij aan alle roem, is:

Must fix the fence by the acre plot
Two young foxes have been nosing around
The lambs and the chickens won’t feel safe
Until it’s done

Venus and Mars

Venus and
Mars

Zoals wel vaker had ik haast. De pedalen zo snel mogelijk rond trappend fietste ik door de leukste winkelstraat van mijn dorp. Dat wil zeggen, eigenlijk was het deel waar ik fietste de naam  winkelstraat niet waard; het was de bijna winkelloze uitloop van een heel mooie straat. Na het passeren van nog een laatste boekhandel  volgden alleen nog kantoorpanden, woonhuizen en een enkele verdwaalde winkel.

Door dit saaie deel razend zag ik vanuit een ooghoek dat er in een soort torentje bij een spoorwegovergang een nieuwe platenzaak zat. Het winkeltje leek een beetje op de eenzaam overgebleven spits van een toren die voor het grootste deel door de hoeven gezakt is.

Verdorie, had ik dat nu goed gezien? Hing er tegen de glazen deur een album met daarop twee biljartballen (een gele en een rode) met een kaartje eronder waarop de naam McCartney stond? Het is grappig hoe je als tiener een soort zesde zintuig lijkt te hebben voor alles wat met jouw idolen te maken heeft. Had er iets anders gestaan, ik zou het niet zo snel hebben kunnen lezen, maar de naam McCartney sprong zo ongeveer van de deur en racete een stukje met mij mee tot het moment waarop mijn hersenen de informatie verwerkt hadden.

Ik moest toch maar even gaan kijken, want het was geen goed idee om een hoes in de felle zon achter het glas van een deur te laten hangen. Als het een McCartney-album zou blijken te zijn, moest ik me maar opofferen en het kopen voordat het in de zon zou verkleuren.

De verkoper bevestigde mijn vermoedens; dit was het nieuwe album van Wings en dus van Paul. Omdat het een kleine winkel was waar maar één exemplaar van het nieuwe album stond, ontbrak de bordkartonnen constructie die de grotere en al langer bestaande platenzaak in mijn dorp opstelde bij elke nieuwe, belangrijke release. De albums stonden daar dan met enkele tientallen achter elkaar in een kartonnen replica van de traditionele platenbak omzoomd door foto’s van de artiest en de hoes van het nieuwe album. Een in al zijn eenvoud prachtige, nu romantisch gedateerd lijkende constructie. Het was wel zeker dat de zaak waar ik normaalgesproken mijn lp’s kocht het album in veelvoud zou hebben staan, maar omdat niet viel uit te sluiten dat Venus and Mars daar tijdelijk uitverkocht zou zijn, (in mijn hoofd maakte ik McCartney in mijn dorp belangrijker dan hij voor de bewoners van Winterswijk waarschijnlijk was), besloot ik om te gaan voor het album in de hand en geen risico te nemen door mijn eigen winkel trouw te blijven. 

Hoewel het al vast stond dat ik het album  zou kopen, wilde ik het vóór aanschaf beluisteren. Dat kon. Ik gaf de lp met een zekere mate van tegenzin terug aan de verkoper, waarna hij het op de draaitafel legde.

Na de rustige instrumentale inleiding klonk de overbekende stem: ‘Sitting in the stand of the sportsarena,  waiting for….krgrgrgr. Ik zou voorlopig niet weten waar het wachten op was. De naald werd van de plaat getild en er volgde een stukje Rockshow. De hoes al op de barkruk aan de luisterbalie eindeloos ronddraaiend en bestuderend, zag ik dat dat de titel was van nummer twee van kant één. Elke foto werd grondig bekeken. Ik zocht een reden of een diepere boodschap achter alles op de hoes. Dat er ook betekenisloze plaatjes op zouden kunnen staan kwam niet in me op. Het was immers niet het album van zomaar iemand. Foto’s ‘voor de mooi’, daar deed de man die op basis van een hoesfoto nog niet zo lang geleden dood verklaard was niet aan.

En daar werd de naald weer van de plaat getild. Ik was inmiddels de tel kwijt. Waar waren we? De onrust van mijn pogingen om alles (muziek, hoes, poster in de gatefold) in de winkel al in me op te nemen en te analyseren zorgde ervoor dat zelfs de teksten op de achterkant geen houvast meer boden. Het was gewoon teveel om te verwerken.

Het hielp ook niet dat ik bij elk omdraaien van de hoes één van de twee luisterhoorntjes op de balie moest leggen waardoor kortstondig maar één  kanaal te horen was. Bovendien maakte ik me, zoals altijd als ik een plaat in een winkel beluisterde, zorgen over de manier waarop de naald door de verkoper werd verplaatst omdat zijn omgaan met het vinyl ver af lag van de overdreven voorzichtige manier waarop ik dat deed. Hij zou de lp toch niet beschadigen?

‘Well I was talking last night. (Magneto and Titanium Man). We were talking about….’ krgrgrgr. Ja, duh, waarover ging het dan?

Ik moest maar zo snel mogelijk betalen zodat ik thuis het hele verhaal kon leren kennen.

Als er iets is dat McCartney kan, is het wel het schrijven van de ultieme oorwurm. ‘Listen to What the Man Said’ was de single van het moment. Zo’n song die je één keer hoort om hem vervolgens tegen wil en dank eindeloos te blijven neuriën. Wat Paul vanaf dit album ook meende te mogen doen, was leadvocale ruimte geven aan zijn bandleden. Thuis gekomen bleek kant twee te openen (na een reprise van de titel song) met twee bijdragen gezongen door respectievelijk Denny Laine en  Jimmy McCulloch. Paul had de door Denny gezongen song in ieder geval nog geschreven, dat was dus een twijfelgeval, maar de door Jimmy gezongen bijdrage was ook door McCulloch gemaakt.  Ik was nogal éénkennig in die tijd: ik moest het al zonder de overige drie Beatles doen, dus de  ‘last man standing’ kon niet van mij verwachten dat ik ook nog eens de songs zonder zijn zang uit ging zitten. Dat was teveel gevraagd. Deze houding zorgde voor weer een nieuw dilemma: de naald ná Medicine Jar laten zakken, of toch maar de ‘herhaling’ van de titelsong waarmee kant twee opende beluisteren, om daarna alsnog de naald te verzetten. Twee minuten en vijf seconden. Het loonde niet echt.

Venus and Mars is een album zoals alleen McCartney dat kan maken. Een album vol potentiële hits. Een album dat maar blijft nazingen in je hoofd terwijl het tegelijkertijd geen onuitwisbare indruk achterlaat. Het is een album dat door de critici overwegend lauw werd ontvangen. McCartney schrijft ‘orenschijnlijk’ met het grootste gemak de meest catchy songs. Songs die door dat gemak even makkelijk van de luisteraar af kunnen glijden.

Paul heeft meerdere kanten en ik houd van de meeste daarvan. Venus and Mars is een (kom laat ik eens een erg belegen woord gebruiken dat de lading goed dekt), verstrooiing biedend album.

Het is moeilijk zo niet onmogelijk om terugkijkend te beoordelen of mijn waardering voor dit album niet voor een groot deel bepaald wordt door het verhaal rond de aanschaf. Destijds was een nieuw Beatlesgerelateerd album voor mij zoiets als een Heilige Graal. Het is ook het eerste album dat ik kocht rond het moment van verschijnen. De wow-factor horend bij de realisatie dat er wel eens een nieuw album van een ex-Beatle zou kunnen zijn verschenen speelt zeker een rol.

Ik heb hoe dan ook een zwak voor dit album met zijn goed in het gehoor liggende songs en de zoals altijd bij Paul gladde productie. Ik durf wel te stellen dat, zelfs als de aankoopherinnering bij elke keer beluisteren niet op de achtergrond mee zou klinken, ik het nog steeds een prachtig album zou vinden. Kom op man: het is gewoon een geweldig album van McCartney die op dat moment opnieuw de top bereikt had. Met Wings dit keer maar, nu The Beatles geen optie meer waren, deed ik het er graag mee.

Oh My Love

Oh My Love

Negen oktober 2021; in een perfecte wereld zou het zijn éénentachtigste verjaardag geweest zijn. 

In een perfecte wereld zoals door hem bezongen in het lied Imagine.

Ongeveer een maand geleden werd het album Imagine weer eens uitgebracht, nu op wit vinyl ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van het album.  Het begint wel een beetje raar te worden omdat we inmiddels toe zijn aan variaties op variaties van heruitgaven. Na de ‘ultieme mix’ kan er natuurlijk niet ook nog een ‘ultiemere mix’ uitgebracht worden. Waarschijnlijk is er daarom voor gekozen hetzelfde opnieuw uit te brengen, alleen nu met een ander kleurtje. Ik probeer me er altijd weer een paar dagen van te overtuigen dat ik zo’n wit exemplaar, naast alle versies die ik al heb, echt niet nodig heb. Uiteindelijk helpen die gedachten niet en koop ik ook deze weer, want, zoals een kennis het eens formuleerde: ‘ik vind het een geruststellende gedachte dat ook die versie in mijn kast staat’. Ach ja; uitstelgedrag t.a.v. volwassen worden zullen we maar zeggen.

Het meest positief aan zo’n nieuwe versie is wel dat ik me daardoor weer bewust word van het album. Ik heb Imagine als tiener zo ongelooflijk vaak beluisterd dat het me nu soms bijna(!) tegenstaat. Het ligt daardoor minder vaak op de draaitafel dan het album verdient. Doordat zo’n witte natuurlijk meteen beluisterd moet worden herontdek ik het album als het ware. En bij ieder herontdekken verbaast mij de bijzondere rangschikking van kant twee weer. Het bijtende, giftige statement (misschien wel de meest meedogenloze versie van Lennon) dat centraal geplaatst is, wordt omkaderd door zo ongeveer de meest lieflijke songs in zijn oeuvre: Oh my Love (Lennon/Ono) en How (Lennon). 

 

Twee prachtige songs waarbij ik Oh My Love nog net even mooier vind.

Het is een verademing om Lennon af en toe over iets anders te horen zingen dan over zijn eigen onzekerheden en jeugdtrauma’s. Op zich is daar niets mis mee en hij is zeker niet de enige kunstenaar die (vooral) schept vanuit wat hem bezighoudt of vanuit wat hem overkomen is, maar muziek die even niets meer wil zijn dan alleen maar melodie, harmonie en ritme, ervaar ik ook als erg prettig. 

Zonder enige twijfel bezingt hij  in Oh My Love zijn liefde voor Yoko, waarmee ook dit een verklanking van zijn eigen leven wordt, maar het bezingen van de liefde is daarnaast, zolang  het naamloos gebeurt (geen Dear Yoko b.v.) vooral iets universeels waardoor het in mijn beleving het bezingen van míjn geliefde kan worden. Deze abstractie geeft het tussen alle persoonlijke teksten een andere dimensie. Muziek enkel als klank. Klanken die niet in de eerste plaats het vervoermiddel van de tekst zijn.

Maar er is veel meer; het zijn vooral muzikale redenen die van dit lied misschien wel mijn absolute favoriet van het album maken. 

In de eerste plaats wordt er waanzinnig goed gemusiceerd met als de spil waarom alles draait Nicky Hopkins. Zijn pianopartij (gespeeld over Lennons meer basic pianopartij) houdt het geheel bij elkaar zonder dat hij daarbij de anderen voor de muzikale voeten loopt. Elk akkoord wordt omspeeld, maar nergens speelt hij het geheel ‘dicht’ door teveel te doen.

De beeld- en geluidsopnamen van een sessie waarbij George Harrison het lied leert door aftastend mee te spelen met John die het aan de piano voorspeelt, laat zien hoeveel dit lied te danken heeft aan Nicky Hopkins. Het is ook in dit stadium duidelijk dat het prachtig is, maar zonder het pianovlechtwerk van Hopkins klinkt het toch een paar gradaties minder.

De partij van Harrison sluit naadloos aan bij wat Hopkins doet. Al vanaf het eerste gebroken, stijgende b mineur (John) wordt de luisteraar de muziek ingezogen, waarbij gitaar en piano samen de basis weven waarboven Lennon vrij kan zingen. Als een soort filigrain weeft Hopkins zijn klanken daarover en doorheen.

In instrumentgebruik en in zekere zin ook qua vorm, heeft dit lied iets klassieks. Als de romantische liederentraditie een doorgaande lijn zou hebben gekend tot 1971, zou je je bijna voor kunnen stellen dat die lijn hier uit moet komen.

In de beste Lennontraditie is de harmonisatie opvallend. Ze is dit keer niet vaag, maar neemt wel wat meer tijd voor het neerzetten van de toonsoort. Waar het geheel uiteindelijk in A blijkt te staan beginnen veel frases in D waardoor het zojuist bereikte A telkens weer iets van een dominant voor D krijgt. Als Lennon hiermee heeft willen verklanken dat hij onzeker is in de liefde, werkt dat goed.

Oh My Love staat in A, maar het eerste akkoord is een b mineur akkoord. Als na vier maten (en een afsluiting in A in die vierde maat) de piano en bas invallen, gebeurt dat met een D akkoord. Twee tonen gelijk aan het bm van het begin, maar nu dus wel door die derde noot majeur. Ook weer; in de vierde maat pas een hernieuwde afsluiting in A. Zodra Lennon inzet gebeurt dat opnieuw boven een D akkoord. De eerste frasen worden zo een reis náár de gekozen toonsoort.

Voor het “I see the wind ‘ deel kiest John voor één van de meest voor de hand liggende modulaties, nl die naar fis mineur waardoor de hoofddelen van dit lied een naadloos geheel vormen. Nadat hij aan het begin misschien wat onzekerheid uitstraalde t.a.v zijn keuze voor A als toonsoort, is de belangrijke keuze m.b.t. de modulatie geheel binnen wat voor de hand liggend is in A.

Waar popsongs niet zelden tussen bas en zang (de eventuele leadgitarist die een andere functie heeft buiten beschouwing gelaten) een vooral homofoon midden kennen, dwz daar waar de bas vaak het enige instrument is dat onder de zang een (redelijk) grote mate van melodische ontwikkeling kent terwijl de rest zich veelal met akkoorden bezig houdt, is er hier sprake van een meer polyfone benadering. Piano, gitaar en bas vlechten samen een weefsel van stemmen. Stemmen die elkaar aanvullen en beantwoorden. Een muzikale beweging die nergens stil valt. Deze geweldige musici geven Lennon alle ruimte voor zijn zang en daar waar nog meer beweging gevraagd wordt vullen ze dat moeiteloos en smaakvol in.

Ik ben fan van het totaalpakket dat John Lennon heet. Maar daar waar hij geen al te duidelijk statement maakt, niet alles probeert te duiden of zijn verleden probeert te verwerken, kortom daar waar hij vooral muziek maakt, heeft zijn scheppen voor mij nog net iets meer. En hier straalt de muziek tot in het kleinste detail.

……’Four.’ Onbedoeld is het slot van Harrisons ‘vier tellen vooraf’ vastgelegd. En weg zijn ze voor de eerste frase van vier maten betovering.

Majeur en Mineur

Majeur en
Mineur

Je zou, met wat fantasie, majeur en mineur het dag en nacht van de muziek kunnen noemen. Het vrolijker majeur met zijn grote terts-begin, de dag tegenover het terughoudender meer nachtelijk mineur van de toonsoorten met de kleine terts als begin van de toonladder.

Het is een grappig toeval dat juist het derde album van The Beatles ‘A Hard Day’s Night’ een staalkaart blijkt te zijn van majeur- mineurverbindingen binnen verschillende songs.

Een beknopte uitleg voor de muzikale leek.

Mineur kan zich op twee manieren tot majeur verhouden. De tonica (slotnoot van elke song of een deel van een song) blijft gelijk. In C gedacht: C-D-E (drie witte pianotoetsen) is majeur omdat je twee grote stappen zet. Mineur wordt dan c-d-es. Twee witte en een laatste zwarte toets op de piano, ofwel: een grote stap gevolgd door een kleine stap. Hierbij veranderen een paar noten in de toonsoort. Simpel gezegd en een beetje gechargeerd: waar alle toetsen wit zijn in C majeur, zijn er in c mineur drie zwart.

Een andere manier om van een majeur toonladder naar mineur te gaan is het combineren van C majeur met a mineur. De tonen/toetsen blijven dan hetzelfde (ook weer een beetje gechargeerd omdat ik een vaak voorkomende kleine aanpassing bij mineurlijnen die omhoog gaan buiten beschouwing laat), maar het rustpunt ligt twee toetsen lager. Dus: dezelfde noten maar de muziek eindigt niet op C maar op A. Omdat a-b-c als begin een grote stap met een kleine combineert is het mineur.

Daarnaast kun je natuurlijk moduleren (veranderen van toonsoort) waarbij elke majeur/mineur combinatie een optie is. Een vroeg voorbeeld daarvan vind je in ‘From Me To You’ dat in C majeur staat maar waarin voor het ‘I got arms…’ deel gemoduleerd wordt naar g mineur. Maar dat is iets dat een eigen column verdient, al was het maar omdat McCartney het decennia later nog steeds beschouwt als de eerste grote harmonische vondst van de heren.

De titelsong van het derde Beatlesalbum staat in G. Er zijn geen echte  veranderingen van toonsoort. In het ‘When I’m Home’ deel is geen sprake van een modulatie, daarvoor is het te vluchtig. Er zijn wel een paar plekken waar blue-notes voorkomen. Blue-notes ontstaan wanneer je in een toonsoort de derde en/of zevende toon verlaagt. Deze noten geven de blues zijn specifieke klankkleur. Je zou het in deze song met wat fantasie de verdwaalde mineurnoot in majeur kunnen noemen. Voorbeelden: ‘I should be slee-PING….’: (7). ‘Will make me feel ALL-right’ (3)

Er staat een behoorlijk aantal songs op AHDN dat harmonisch zo interessant is (b.v. ‘And I Love Her’), dat ze een eigen bespreking verdienen. Hier beperk ik me tot twee songs (één van Paul en één van John) die vooral opvallen doordat ze de hiervoor beschreven majeur/mineur combinaties gebruiken. Dezelfde basiskeuze voor een deel op dezelfde manier gebruikt, maar deels ook op een eigen manier uitgewerkt.

‘Things We Said Today’.

Het derde nummer van kant twee staat in a mineur. Het mijdt in de mineur delen zelfs de voor de hand liggende verhogingen van de zesde en zevende toon stijgend, waardoor ook de vijfde trap (doorgaans toch majeur) telkens  als mineurakkoord opduikt (een em akkoord ipv E). Dat geeft de afsluitende akkoordformules een grote mate van zachtheid.

Voor het ‘Someday when I’m…’ deel moduleert Paul naar C groot. Of eigenlijk moduleert hij niet, maar kiest hij gewoon zonder omwegen C als tijdelijk rustpunt. Zoals eerder beschreven delen majeur en mineur daar waar mineur twee toetsen onder de majeur toonladder begint dezelfde noten. Dat maakt deze verandering simpel. De weg terug is een ander verhaal. Onder het motto ‘waarom makkelijk doen als het moeilijk kan’ eindigt de zin ‘wishing you…..away’ op ‘away’ met een Bes-akkoord. Dat is geen akkoord dat zomaar in C of a voorkomt. In C is het de verlaagde zevende trap, het soort akkoord dat je eerder in wat meer rock-achtige songs verwacht. In a mineur is het de verlaagde tweede trap. Een prachtig ‘Napels’-achtig akkoord waarmee McCartney ons terugbrengt naar het a mineur van het begin (‘Then I Will Remember’).

Maar we zijn er nog niet: majeur en mineur zijn ook te combineren vanuit hetzelfde rustpunt. Dat wil zeggen dat A de toon blijft waarom alles draait. En precies dat doet Paul bij: ‘Me I’m just the lonely….’ We blijven in a maar het wat terughoudende van a mineur verandert zonder poespas in het meer open A majeur. 

Ik weet niet of John dacht ‘wat Paul kan kan ik allang’, of dat John de eerste was en Paul het bij hem  af heeft gekeken, maar John’s ‘I’ll be Back’ bewandelt harmonisch wegen die dicht bij die van Paul liggen. John heeft alleen een mooi extraatje in petto.

I’ll Be Back staat in A majeur, maar na een korte inleiding zet de zang in a mineur in om op ‘I’ll Be Back Again’ (op ‘gain’) weer terug te keren naar A majeur. Een prachtige harmonische kleuring van de tekst. Het mineur rond ‘if you break my heart I’ll go’ gevolgd door de terugkeer naar majeur op het moment dat de tekst het ook over terugkeren heeft.

Voor het ‘I love You so’ deel raakt de muziek even aan fis mineur. Hier dus weer het uitstapje naar het mineur een paar tonen lager met gelijkblijvend basismateriaal.

Het extraatje bewaart John tot het eind. Het coda (instrumentale fade-out) beeldt de twijfel tussen weggaan en terugkomen uit door een constante afwisseling van a mineur en A majeur, waarbij het gitaarmotiefje eerst op majeur landt, waarna de herhaling op mineur uitkomt enz.

Het kan geen toeval zijn dat John en Paul op hetzelfde moment de mogelijkheden van majeur en mineur tot in het extreme zijn gaan verkennen. Hoe zou dat gegaan zijn? Samen in een kamer met gitaren op zoek naar de ultieme akkoordverbinding? Enthousiast over de vondsten en niet kunnen wachten om het uit te werken? Bestond er maar een ‘uitzending gemist’ voor dit soort momenten.

McCartney lll

McCartney IIl

De geruchtenmachine kwam op gang toen bekend werd dat hij de naam had laten patenteren. Niet lang daarna verschenen de foto’s: drie stenen op een rij, drie  zwarte pianotoetsen, drie bloemen. Het was duidelijk: er zou, vijftig jaar na nummer één en veertig jaar na nummer twee een McCartney III komen.

Nummer één was ontstaan na het uiteenvallen van The Beatles en nummer twee in een periode waarin het onduidelijk was of Wings toekomst had.

McCartney teruggeworpen op zichzelf in een homemade studio  met voor een deel ‘homemade’ muziek. Hoe zou zich dat vertalen naar III? Zou er op dit album ruimte zijn voor het experiment, de improvisatie? Ruimte voor minder uitgewerkte songs? Geraamtes die de naam song niet verdienen? Bij McCartney I leek er een soort noodzaak te zijn om het album op die manier te maken. Na de onrust en onvrede die werken binnen een niet meer functionerende groep met zich meebracht, leek het logisch dat Paul zijn solodebuut in z’n eentje zou  opnemen. De ‘we zien wel waar we uitkomen’ benadering en het ‘homemade’-gevoel lijken een vorm van afzetten  tegen de eindeloze sessies van de laatste Beatles-jaren.  Misschien speelde ook mee dat er in die jaren veel schitterende songs naar The Beatles waren gegaan. Had hij nog wel materiaal voor zijn eerste soloalbum?

Tien jaar later herhaalde de geschiedenis zich. Nadat Wings weer eens aan een nieuwe bezetting toe was sloeg de twijfel toe. Het album dat deze formatie had opgenomen (Back to the Egg) werd matig ontvangen. Paul zocht houvast door terug te grijpen op het oude concept: het ‘doe het zelf’ experiment thuis. Nadat geplande optredens met Wings in Japan niet door konden gaan doordat McCartney bij aankomst in dat land in de gevangenis belandde, besloot Paul (nog zonder Wings formeel te ontbinden)  het opgenomen materiaal uit te werken tot een album.

Het verstrijken van de tijd heeft McCartney I goed gedaan; het album krijgt nu de waardering die het verdient. McCartney II wordt over het algemeen gezien als één van de mindere albums binnen zijn oeuvre. Er staan veel ‘net niet’ nummers op. Je kunt je zelfs afvragen of elke bijdrage wel het etiket ‘song’ verdient. Maar dat is een logisch uitvloeisel van het concept: experimenteren met synthesizers om uit te vinden hoe die dingen werken en wat er mogelijk is met die instrumenten. Weinig ruimte voor composities en alle ruimte voor experimenteren. Dat er ook nog naar geluisterd zou worden lijkt niet belangrijk te zijn geweest voor McCartney.

Ook de baslijntjes (toch vaak een plus bij McCartney) zijn af en toe inspiratieloos. Hier en daar is zelfs een foute noot blijven staan. 

En nu dus een vervolg. Zou het meer I of meer II blijken te zijn?

Gemaakt in ‘Rockdown’. Het zal wel. Leuk gevonden, maar niet meer dan dat.

Ik heb de afgelopen tijd geprobeerd zonder oordeel naar dit album te luisteren. Een ‘eindoordeel’ heb ik uitgesteld om de simpele reden dat ik menig McCartney-album na verloop van tijd anders ben gaan bekijken. Zo behoren McCartney I en Ram nu tot mijn favorieten na het aanvankelijke ‘nou nee’. Anderzijds vond ik Egypt Station na verschijning de moeite waard, maar inmiddels luister ik er zelden meer naar.

Paul geeft met het eerste nummer van III al direct antwoord op de vraag of en hoe hij het concept van McCartney I ruimte gaat geven op III. Hoewel de vorm tot in detail moet zijn uitgewerkt, wekt het geheel in zekere zin de indruk (deels) geïmproviseerd te zijn. Dat komt vooral door het ontbreken van duidelijke thema’s. Het zijn motieven die opduiken en verdwijnen. De eerste inzet van de bas is ook opvallend. McCartney introduceert ‘zijn’ instrument met een dalend lijntje dat weinig met een baslijntje van doen heeft. Het is het soort melodisch lijntje dat de cello’s in een orkest zouden kunnen spelen. De echte bas is hier nog steeds bevroren in de onbeweeglijkheid van een orgelpunt.

Na deze sterke opening komt de eerste van twee songs die wat mij betreft tot de mindere van het album behoren. ‘Find my way’ is het soort nummer dat Paul moeiteloos lijkt te schrijven. Een song die vrij onopgemerkt voorbij drijft om daarna eeuwig in je hoofd te blijven zingen. Door de instrumentatie (vooral de dikke laag toetsinstrumenten) en het Strawberry Fields achtige coda heeft het iets Beatles-achtigs. 

Het enige nummer waar ik helemaal niets mee heb is  ‘Seize The Day’. Het lijkt een ‘leftover’ van Egypt Station. Het herinnert me in ieder geval aan melodielijntjes van dat album.  Maar ach: aan een boom zo vol geladen.

De stem van McCartney verraadt zijn leeftijd misschien wel meer dan zijn uiterlijk en zijn bewegingen. In Pretty Boys en Women and Wives maakt hij gebruik van het donkerder timbre dat de stem op leeftijd krijgt door de omvang van de melodie te beperken en daarbij alles vrij laag te houden in een gebied waar zijn stem nog goed functioneert. ‘Boys’ is  een door gitaren gedragen song, waarna ‘Wives’ door de deels ook laag gespeelde piano-akkoorden extra donker kleurt. De vierkwartsmaat beweegt zich door een syncope voor een groot deel in een achtstenpatroon van 3+3+2. 

Bij Lavatory Lil slaat mijn fantasie op hol. Nee het gaat nu niet het verhaal van de vieze man worden, geen plaatjes van Lil op een wc. Op een paar dingen in Slidin’ en Find my Way na heeft McCartney alles op dit album zelf gezongen en gespeeld. Dat betekent dat hij zichzelf ‘antwoord geeft’ bij de herhalende zinnen van Lil. Ik stel me daarbij voor dat de ‘twee of drie McCartney’s’ van het koor krom hebben gelegen van het lachen bij deze herhalingen. Het heeft iets grappigs en ik verbeeld me dat ik het plezier van het opnemen in het eindproduct kan horen. Verder is het een in al zijn eenvoud prachtig nummer met heerlijk klinkende gitaren. Samen met het uit een soundcheck-improvisatie voortgekomen Slidin’, waarin Pauls stem veel heeft van de jeugdige rocker die hij ooit was, biedt het een stukje ontspanning voor wat gaat komen.

Deep Deep Feeling is met 8.26 minuten de met afstand langste track van het album. Een nummer met heel veel typische McCartney dingen, zoals het vervlechten van verschillende melodieën nadat ze één voor één zijn geïntroduceerd. Maar ook een song die op een bepaalde manier alles behalve typisch Paul is. Net als het eerste nummer van het album is ook dit een song die tot in detail is uitgekiend maar tegelijkertijd heel sterk de indruk wekt vanuit improvisatie tot een spontane vorm gekomen te zijn. Het klankbeeld is ronduit prachtig. De ruimtelijke weergave van het slagwerk, de gitaar die af en toe opduikt met (en verdwijnt na) een soort ingehouden ‘schreeuw’ en de jazzy piano leveren bij alles wat eindeloos gelijk lijkt te blijven een boeiend klankspel op. Telkens als ik denk dat ik het wel gehoord heb, duikt er iets nieuws op. Het lijkt bijna een meditatie-oefening: aandachtig luisteren ontsluit de nuances in wat gedurende lange tijd onveranderlijk lijkt te zijn.

Vervolgens wordt de luisteraar een adempauze gegund met het prachtige The Kiss of Venus. McCartney blijft maar  songs aan zijn uitgebreide oeuvre toevoegen die een herinnering aan eerder werk in zich dragen. Op een prettige manier doen ze denken aan ouder materiaal, maar anders dan bij veel van zijn generatiegenoten heb ik hier nooit het gevoel dat het gerecyclede thema’s zijn. 

Het is een grappig toeval dat het tweede nummer van behoorlijke omvang ook een ‘Deep’ titel heeft: Deep Down. Anders dan ‘Feeling’ lijkt dit iets teveel van het goede, maar de jaren zestig sfeer, vooral veroorzaakt door het orgeltje, maakt het voor mij toch de moeite waard. De combinatie van de lage, grommende bas met het slagwerk (met name de high hat die maar doorgaat op de tel) is fascinerend. Bovendien swingt Paul’s stem in eindeloos veel variaties.

Het album eindigt met ‘When Winter Comes’, een overblijfsel van de Flaming Pie sessies. Paul vond het te goed om het te verstoppen op een bonus-cd van de Flaming Pie (archive) box, waardoor het op McCartney III terecht is gekomen. Een song in de het landleven bezingende traditie van Heart of the Country en Country Dreamer. Ook weer zo’n met ogenschijnlijk gemak geschreven nummer dat eindeloos in je hoofd blijft hangen. Maar hier stoort me dat totaal niet.

De McCartney trilogie begint en eindigt met albums die, hoe verschillend ook, bepaalde overeenkomsten hebben. In al zijn gladde McCartney perfectie imiteert III de ‘rammelende’ spontaniteit van I. Het album uit 1970 zakt hier en daar door de ondergrens. Dat kan ook moeilijk anders als er zelfs een ‘jeugdzonde’ (Hot as Sun) opstaat. Het sluitstuk van de trilogie mag het gelukkig zonder de vruchten van de ultra-jonge jaren doen. Niet alles heeft eenzelfde hoge niveau, maar het is wel allemaal duidelijk het scheppen van een man die heel goed weet wat hij doet. Een prachtig album dat ik nog vaak zal beluisteren.

1989

1989

‘You can always come back, but you can’t come back all the way’ zingt Bob op ‘Love and Theft’. Als er één song van Dylan is die me elke keer weer kippenvel bezorgt, is het wel ‘Mississippi’. De tekst heeft een magisch soort ondoorgrondelijkheid gekoppeld aan een meer onbewust ‘natuurlijk gaat het over….’. Met andere woorden: geen idee waar hij het over heeft, maar ik ben het helemaal met hem eens. De stem is tot een krakende rasp gereduceerd en omdat ik geen fan ben van de stem van de jonge Dylan, ervaar ik deze amper nog geluid voortbrengende vocalen als een enorme verbetering. Eerlijk gezegd vind ik het prachtig.Ook de instrumentale begeleiding is in al zijn eenvoud perfect. Het geheel heeft iets ouds, een soort jaren ‘30 laagje. De in beste Dylan-traditie eenvoudige, hypnotiserende muzikale structuur doet de rest.

1989 is voor mij het jaar van een soort ‘terugkeer’ naar Eibergen, het geboortedorp van mijn ouders. Het dorp dat in hun verhalen werd opgeblazen tot een buitenproportioneel Utopia. Een plaats waar ik zo vaak over had horen vertellen dat het bijna voelde alsof ik er zelf ooit gewoond had.

Voor mijn vrouw en mij was het de perfecte woonplaats toen we gingen samenwonen. We voelden  ons er direct thuis, maar ik zag echt niet wat dit dorp zoveel beter zou moeten maken dan mijn geboorteplaats. ‘You can always come back, but….’. Nee, ik was zeker niet ‘teruggekomen’ in de door mijn ouders ooit achtergelaten plaats. 

1989 is ook het jaar van iemand waarvan je wél kunt zeggen dat hij, in ieder geval figuurlijk, ‘came back all the way’. 

De jaren 80 waren niet bepaald de jaren van de grote sterren uit de jaren 60 en 70. Bob Dylan leek (niet voor het eerst) de muzikale weg kwijt, Neil Young wisselde van platenlabel en sloeg met weinig succes aan het experimenteren. En ook aan McCartney was dit decennium niet besteed.

Hij begon er met ‘McCartney II’ en vooral ‘Tug of War’ nog prima aan, maar daarna kwam de klad er in. ‘Pipes of Peace’ is in zekere zin een restjes-album (de kliekjes van ‘Tug’ vonden er een plek) met een aantal behoorlijk gênante tekstuele uitglijders zoals ‘I acted like a dustbinlid’ (‘The other Me’). Het zou nog erger worden. ‘Press to Play’ is geen hoogstandje om maar te zwijgen over ‘Broadstreet’.

Maar aan elk decennium komt een eind en in de blessuretijd van het decennium vond Paul zijn inspiratie terug.

In onze nieuwe woonplaats was gelukkig ook een platenzaak te vinden. Een zaak die, zoals wel meer muziekwinkels in die tijd, bezig was om het accent te verleggen van vinyl naar cd. 

Op een avond bezocht ik de winkel zonder duidelijk doel. Ik had geen wensen (dat gebeurt me als het om vinyl gaat niet zo vaak) en wilde alleen even kijken of ik nog een nieuwe release gemist had. De single ‘My Brave Face’ maakte het waarschijnlijk dat er vandaag of morgen een nieuw album zou verschijnen van McCartney.

En inderdaad; in de bak onder ‘Paul McCartney (& Wings)’ stond een mij onbekend album met een prachtig roodbruine hoes vol bloemen boven een soort modderachtige vegen. McCartney was op dat moment, mede door de vele missers de voorafgaande jaren wat uit beeld geraakt bij mij. Het was geen uitgemaakte zaak dat ik met dit album naar huis zou gaan. Waarschijnlijk heeft de hoes de doorslag gegeven. Deze hoes was zeker de reden voor de keuze van een aanschaf op vinyl: waarom een album kopen mede vanwege de hoes en dan met een cd naar huis gaan? Veel van de schoonheid kwam niet over in de miniatuurweergave op de voorkant van de cd. Ook ontnam het plasticdoosje de cover door het glimmende oppervlak het laatste beetje glans.

‘Flowers’ bleek in meerdere opzichten een ‘terug naar’ album voor McCartney. Voor het album zocht hij de samenwerking met een andere songwriter: Elvis Costello. Volgens de officiële lezing was dit een samenwerking die aan de tandem Lennon/McCartney deed denken. In werkelijkheid konden de heren het niet al te goed met elkaar vinden waardoor er een abrupt eind kwam aan de gezamenlijke opnamesessies. De bijdrage van Elvis is daardoor beperkter gebleven dan de bedoeling was. 

Costello zorgde er door een terloopse opmerking wel voor dat McCartney zijn Hofner-bas weer oppakte. Dat betekent niet alleen een ‘terug naar’ de warme ‘houtachtige’ (lees minder metalige) klank van de Beatlesbaslijntjes van vóór 1966/67, maar tevens werd het iconische plaatje van McCartney met zijn Beatlesbas in ere hersteld. 

‘Flowers’ is echter vooral het album dat McCartney terug bracht in de  harten van zijn fans. Hoe zeer hij terug was bewees de extreem succesvolle wereldtournee die aan de promotie van  het album gekoppeld werd.

Voor deze tournee deed Paul ook Rotterdam aan. Daardoor kreeg ik de kans hem eindelijk live te zien. Kaartjes waren snel gekocht en gedrieën (een neef die uiteindelijk ook in de muziek terecht zou komen ging met ons mee), stapten we in de bus die ons naar Ahoy zou brengen.

We waren vroeg ter plekke waardoor we zó dicht bij het podium stonden dat ik McCartney bijna een hand had kunnen geven.

Het is een vreemde gewaarwording om iemand die tot dat moment een halfgod leek te zijn zo dichtbij op een podium te keer te zien gaan. Hij bleek natuurlijk gewoon een mens, maar het goddelijke aureool dat hij voor mij vanaf mijn kennismaking met de fab four had, verdween geen moment. Gedurende ruim twee uur gaf hij alles op een avond tijdens een tour die voor hem ook een ‘terug naar’ het Beatlesrepertoire betekende. Nog nooit was dit materiaal zo overvloedig aan bod gekomen tijdens de concerten van na het uiteenvallen van The Beatles.

Gedurende deze tour was alles dat later in typische McCartney-patronen zou uitmonden nog spontaan. Zo kondigde hij ‘Hey Jude’ aan met de woorden:’Tell you what, there’s a bit at the end of this next song that you might wanna join in with’ om vervolgens te beginnen aan ‘If I were not upon the stage’. Na een paar maten brak hij dat af:’no, no that’s not what I meant to say. What I meant to say is; Hey Jude, don’t…..’ Na de zoveelste keer werkt dat niet meer, maar die eerste (voor mij) totaal onverwachte keer lag ik in de starende stilte van mijn adoratie met de rest van de ouderwets schreeuwende zaal aan zijn voeten. Wat een ongelooflijke avond! Daar staat dé held van je leven die de soundtrack van datzelfde leven speelt. Ik ben geen liefhebber van grote massa’s, maar tijdens dit concert ervoer zelfs ik een zekere mate van verbondenheid met de mensenmassa om mij heen.

‘Your days are numbered’ zingt Dylan in Mississippi. De dagen van Paul als popster leken in de jaren tachtig inderdaad geteld. Tegenwoordig zijn de echt groten van de beginjaren van de popmuziek verzekerd van ‘eeuwige’ roem. In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd er een beetje meewarig naar de sterren van de voorgaande decennia gekeken. ‘Ach ja, ze deden er ooit toe, maar nu zijn ze niet relevant meer’. De bloemen van weleer lagen nog net niet vertrapt in de modder.

McCartney stond op en liet zien dat hij nog relevant was. Hij was terug en zou zijn plek niet meer afstaan.